top of page

WES 1

Jeugdboek

cover_edited.jpg
Achterkant_edited.jpg

Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht

​​

 

Het mag gezegd dat de kinderlijk eenvoudige cover en lichtjes absurde titel me deden grijpen naar het jeugdboek “Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht” van Mark Haddon.

​

Het is geen volumineus boek (286 pagina’s) maar ik heb er toch ettelijke weken over gedaan om het boek uit te lezen. Niet alle passages waren immers even beklijvend.  En als ik dan wel eens wilde doorlezen, riep een urgente deadline om voorrang.

Niettemin hou ik een fijn gevoel over aan het lezen van dit boek.  Het verhaal van “Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht “ wordt verteld door hoofdfiguur Christopher, een 15-jarige jongen met het Aspergersyndroom. Hij schrijft het op verzoek van Siobhan, één van zijn leraressen op zijn ‘speciale school’.  

Vertrekpunt van het verhaal is de nacht (klokslag 00.07 uur) dat Christopher de hond van de buurvrouw dood in haar voortuin vindt, met een spitvork in zijn lijf. De hond heette Wellington en Christopher is vastbesloten om de moordenaar te vinden. Tijdens zijn moordonderzoek  op Wellington ontdekt Christopher een hele hoop zaken die zijn strikt geordende leventje overhoop halen. Voor een autistische jongen als Christopher is dat behoorlijk onthutsend. Zo ontdekt hij dat zijn dood gewaande moeder nog leeft en dat zijn vader een meer dan kwalijke rol speelt in dit drama.

​

De vorm van detectiveroman fungeert slechts als het raamwerk waarbinnen de auteur de lezer inkijk geeft in het hoofd van een hoogbegaafde autistische puber. Dat hoeft zeker niet altijd zorgwekkend te zijn want het boek levert ook komische momenten op. Christopher observeert en interpreteert de mensen om hem heen immers fundamenteel anders. Hij ziet details die de gemiddelde aardbewoner steevast mist.

Verder heeft hij uitzonderlijke wiskundige vaardigheden, moeite met sociale interacties, eigenaardige voorkeuren maar ook - voor hem logische – aversies, zoals een afkeer van dingen of etenswaren die geel of bruin zijn. Het zal de lezer dan ook niet verbazen dat Christophers consequente eerlijkheid en duizelingwekkende genialiteit zijn omgeving niet zelden tot wanhoop drijven.

​

Goeie vondst is dat de hoofdstukken zijn genummerd met priemgetallen. Het laatste hoofdstuk 233 is in feite hoofdstuk 51. Christopher houdt nu eenmaal van priemgetallen: het zijn de getallen die overblijven als je alle patronen weghaalt. Ze zijn als het leven zelf: heel logisch maar je komt nooit achter de regels.

​

Het boek is geschreven in een eenvoudige schrijfstijl. Het taalgebruik, krachtig in zijn eenvoud,  staat dan ook in schril contrast met de wiskundige puzzels, schema's, lijstjes en tekeningen in zwart-wit waarmee Christopher zijn verhaal stoffeert.

De geconstrueerde (wiskundige) hersengymnastiek vertroebelde voor mij als lezer soms de vlotheid van het verhaal, maar aan de andere kant zijn het net deze zonderlinge hersenkronkels, detaillistische waarnemingen en rechtlijnige gevolgtrekkingen, die het boek bijwijlen hilarisch maken.

​

Ik mag besluiten dat het boek zeker wel een aanrader is voor tieners én voor de onderwijspraktijk. Het boek schetst op een unieke wijze herkenbare situaties voor leerlingen die zich in het spectrum bevinden en je krijgt als lezer een innemend beeld van de complexe denkpatronen van een puber met Asperger. Ook vind je er interessante discussiethema’s in terug. Moeten je ouders jou altijd de waarheid vertellen? Of wil je niet alles weten? Begrijp jij alle volwassenen altijd? Als jij echt iets wilt in je leven, tot hoever ben je bereid te gaan?

​Voer voor filosofen, psychologen, sociologen, pedagogen, speurneuzen, honden- en taalliefhebbers en dus zeker ook voor leerkrachten en leerlingen Nederlands!

WES 3

 

Jeugdboek 

Jeugdboek Zoals het gebeurd is.jpg
Jeugdboek achterkant.jpg

"Zoals het gebeurd is"
door Herman van de Wijdeven

Tussen spel en ernst: de scherpe kantjes van opgroeien

Eerlijk is eerlijk: ik heb dit boek gelezen uit gemakzucht. Ik bedoel dat ik het per toeval tegenkwam in mijn boekenkast. Ik vermoed – mijn geheugen heeft soms andere prioriteiten - dat één van mij zonen het boek ooit heeft moeten lezen tijdens zijn scholierentijd, met de bedoeling er een deugdelijke boekbespreking van te maken.
Het bespaarde me alleszins een verplaatsing naar de boekenboetiek, uit zelfbehoud soms een goede zaak. Je moet weten dat ik nooit maar één boek koop eens ik de drempel van een boekenwinkel over ben, als was het een soort van bijgeloof.

 

Aangekondigd onheil

​

En nu we toch eerlijk zijn: ik was niet meteen wild van “Zoals het gebeurd is”.  Misschien ben ik wat te oud voor dit soort schelmenliteratuur?  Toch bekroop me gaandeweg een nieuwsgierige fascinatie voor de drie hoofdpersonages, die  - zo was duidelijk - in de val van een onafwendbaar lot zouden lopen.  Het boek las als een kroniek van een aangekondigde ramp, waarvan de eerste bladzijde de motor reeds in gang zette:‘(…) Vandaag is alles anders. Ik wil lawaai. Het liefst zou ik deze dag ook dichtsmijten, zodat hij met een oorverdovende knal gedaan was.’ (p. 5)

​

Bent, de ik-figuur, vormt een onafscheidelijk duo met Joeri. Ze wonen in hetzelfde dorp en zitten in de laatste klas van de basisschool. Beide vrienden schuwen een goed avontuur niet en tijdens de zomervakantie ontdekken de jongens hoe ze hun durf bij elkaar kunnen optellen om de meest waanzinnige grenzen te overschrijden. ‘Die middag kwamen Joeri en ik erachter dat we onze durf bij elkaar konden optellen. Dat we samen dubbel zo dapper waren als alleen. We maakten er een spelletje van. We speelden het de rest van de vakantie.’ (p.39)

​

Drie is te veel

​

Maar dan wordt het 1 september. De komst van een nieuwe klasgenoot, Finn, verstoort hun vriendschap. Opeens heeft beste vriend Joeri meer oog voor ‘de nieuwe’ dan voor Bent. Bent voelt zich al gauw het vijfde wiel aan de wagen en ziet met lede ogen aan hoe Joeri en Finn dikke maatjes worden. Bent voelt zich verraden en in de steek gelaten. Wanneer hij denkt dat Joeri zijn grootste geheim aan Finn heeft verklapt, daagt hij Joeri uit voor een durfspel…

​

Van de Wijdeven schrijft met een sobere, beheerste pen. In dit debuut, genomineerd voor de Boekenleeuw 2014, duikt hij met de lezer in het hoofd van de elfjarige Bent. Daar klutsen onuitgesproken emoties, jeugdige overmoed en onafwendbare dreiging door elkaar.  De keuze van het ik-perspectief maakt dat je als lezer opgesloten zit in de gedachten van Bent, en zo ongevraagd vastgekluisterd wordt aan zijn verwarring, jaloezie en angst.

​​​​

Gespleten en voorspelbaar

​

De hoofdstukken zijn kort en fragmentarisch, laverend tussen heden en verleden. Dat gespleten vertelritme weerspiegelt Bents innerlijke strijd en probeert zo ook de spanningsboog strak te houden. De lezer weet dat er iets vreselijks gebeurd is en je kan al enigszins voorspellen wát. Sommigen zullen dat als een superspannende ‘pageturner’ ervaren, voor mij was die voorspelbaarheid net een lichte domper op de leesvreugde. Ik hoopte na elk hoofdstukje op een onverwachte twist, maar die bleef uit.

​

Van de Wijdeven schrijft voornamelijk toneelstukken en je zou kunnen zeggen dat zijn debuutroman een literair equivalent is van een theaterstuk zonder decorwisselingen: een lichtjes claustrofobische ervaring waarin de emotionele kracht vooral schuilt in wat niet wordt gezegd.

​​

Ingehouden poëzie

​

De auteur maakt gebruik van eenvoudige zinnen waar soms ingehouden poëzie doorschemert: ‘(…) Mijn hoofd duizelt een beetje. Ik geloof dat ik het hele stuk vanaf de schoolpoort mijn adem ingehouden heb. Ik laat mijn longen leeglopen. Er komt een woord mee uit mijn mond. Eentje zonder voor- of achterkant. Een woord dat niks betekent en toch van alles wil zeggen.’ (p. 13)

De personages zijn vrij eendimensionaal en lichtjes karikaturaal, als je het mij vraagt. Ze krijgen vooral vlees door hun daden en korte dialogen. Als je houdt van gelaagde persoonlijkheden en beschrijvende analyses, kom je hier niet aan je trekken. In dit verhaal kan je deze beperking echter ook zien als een kracht. Het zijn niet de uitgediepte karakterbeschrijvingen maar Bents innerlijke beleving en botsende gedachten die het verhaal voeden.

​

Ongenadig opgroeien


Kortom, omwille van de herkenbaarheid, de dreigende onderhuidse broeierigheid en ingehouden poëzie is “Zoals het gebeurd is” zeker wel een opwindende aanrader voor jongelui uit de eerste en tweede graad die qua leeservaring nog niet veel verder zijn geraakt dan Het leven van een Loser of een 'Geronimo Stilton' -avontuur.

​

Het boek leest dan wel als een (voorspelbare) thriller maar is bovenal een psychologische dissectie van het verwarde hoofd van een tiener.  Het is een knappe verdienste van de auteur dat hij onverstoorbaar chirurgisch snijdt in de kern van wat opgroeien zo ongenadig maakt: vriendschap en verraad, loyaliteit en rivaliteit, de dunne grens tussen spel en ernst.
Opgroeien gebeurt nu eenmaal op het scherp van de snee. Dat proces heelhuids doorkomen is al een leven op zich.

​

 

​

 

Een fragment:    (p. 117-120)

​

‘Wie gaat er eerst?’ vroeg Joeri. Hij keek Finn en mij een voor een aan. Net of hij wilde zeggen: wie van jullie tweeën, want ik in ieder geval niet.
We lagen languit in de struiken en loerden naar de hut van Buis, verderop tussen de bomen. Iets scherps, een dennenappel, de wortel van een boom, drukte hard tegen mijn ribben. Of misschien had ik een steen in mijn maag van de zenuwen.
Ik keek naar Finn. Hij zag nog bleker dan anders. Zijn mond was een dunne, rechte streep. Ik begon een donker vermoeden te krijgen van wie er zo dadelijk zou gaan.
‘We trekken strootje’, zei Joeri.
‘ja’, zei ik snel.
Joeri pakte een bosje vergeeld gras vast en trok eraan. Hij draaide zijn rug half naar ons toe, rommelde wat met de sprieten, en hield een vuist onder onze neus waar drie dorre puntjes uitstaken.
‘Jij eerst’, zei hij tegen Finn. Hij knipoogde naar hem. Dacht ik tenminste.
Gaven ze nu tekens aan elkaar? Ik keek naar Joeri. Zijn gezicht stond ongewoon gewoon. Zijn wenkbrauwen gingen omhoog.
‘Wat?’ zei hij.
‘Niet valsspelen’, zei ik.
‘Hoe valsspelen? Hoe moet ik valsspelen?’
Ik draaide vlug mijn hoofd naar Finn, die net op tijd zijn mond in de plooi deed. Meende ik toch te zien.
Natuurlijk trok ik het kortste sprietje. Het was belachelijk kort. Niet veel meer dan wat er uit Joeri’s vuist had gestoken. De andere twee waren veel langer en allebei even lang ongeveer.
‘Jullie spelen vals’, zei ik.
‘Doe niet zo flauw, Bent’, zei Joeri.
‘Wat?’
‘Niet zo doen, altijd.’
Ik voelde dat mij wangen rood werden. Ik begreep niet waarom. Ik wist niet wat Joeri bedoelde. Hij had nog nooit iets gezegd over hoe ik deed. En nu deed ik in één keer ‘zo’.
‘Hoe doe ik altijd?’
‘Kinderachtig’
‘ik?’
Joeri probeerde zijn hoofd zo te schudden dat alleen Finn het zag. Het lukte hem niet.
‘Jij eerst. Je hebt verloren. Eerlijk is eerlijk.’
‘Eerlijk’, zei ik.
Ik deed er een paar pufjes achteraan. ‘Pff, pff.’ Omdat ik vond dat ik het woord niet belachelijk genoeg had laten klinken.  
‘Ga dan’, zei Joeri.
‘Wacht.’
‘Hoe langer je wacht, hoe moeilijker het wordt.’
‘Ja juf.’
‘Niet te veel nadenken, Bent. Gewoon doen. Jij denkt altijd veel te veel na.’
‘Mah’, deed ik.
Dat was de tweede keer dat Joeri iets zei over hoe ik deed. En alweer deed ik het ‘altijd’. Was er misschien iets dat iedereen wist behalve ik?
‘Ga gewoon.’

Ik kroop een stukje verder door de struiken, tot ik aan de rand van een open plek was. Aan de andere kant stond de gammele hut van Buis tussen de bomen. Akelig dichtbij ineens.
Ik wil dit niet, dacht ik, ik wil dit echt niet. Ik had nooit mee moeten gaan. Alles in mij had gezegd dat dit een slecht idee was. Het slechtste idee ooit in heel de geschiedenis van slechte ideeën. En dat ik spijt ging krijgen.
Ik had het alleen gedaan omdat ik de gedachte niet kon verdragen dat de nieuwe en mijn beste vriend samen iets gingen beleven. Iets spannends nog wel. Een avontuur zelfs.

​

​

"Zoals het gebeurd is"
 

WES 4
Jeugdboek

'Koning van Katoren'
Jan Terlouw

Cover Koning Van Katoren_edited.jpg
Achterflap_edited.jpg

​

Er was eens…. een succesvolle jeugdschrijver die ook kernfysicus en vicepremier was.

​

Helaas kwam aan zijn lange leven een einde want Jan Terlouw is onlangs op 93-jarige leeftijd overleden.

Het moment dat ik het nieuws vernam in de krant, wist ik meteen welk jeugdboek ik voor deze blog zou (her)lezen: “Koning van Katoren!”

​Anders dan wat Maud Vanhauwaert in haar column in De Morgen schreef – en die ik op deze manier dan toch in mijn blog weet te loodsen – heb ik geen schroom of angst om met een herlezing die ‘eerste keer’ onrecht aan te doen.​

​​​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

​

 

 

Immers, toen ik dit boek zo’n 40 jaar geleden las met mijn wassende puberbrein – 13 was een leeftijd waarop ik sprookjes verslond als ware het Raiders * - vond ik het al een fantastisch verhaal. Nu las ik het als eerbetoon aan Jan Terlouw wiens bekendste boek me moeiteloos opnieuw wist te bekoren. Ik heb de 174 pagina’s op twee avondjes uitgelezen.

​

‘Koning van Katoren’ is geschreven in 1971.  Het is niet voor niets bekroond met meerdere prijzen, waaronder de Gouden Griffel. Het wordt nog steeds beschouwd als een van de beste kinderboeken uit de Nederlandse literatuur.  Een aanrader dus voor tieners én volwassenen die niet vies zijn van een gewiekste 17-jarige held die het onverdroten opneemt tegen zes gemelijke ministers om koning van Katoren te worden. Stach is immers voorbestemd: onze held brengt zonder verpinken zeven aartsmoeilijke opdrachten tot een goed einde. Hij bezit bovendien wat de zes ministers van het land, die na het overlijden van de koning 17 jaar geleden het roer van het land overnamen, alle ontberen: creativiteit, idealisme, een open blik en een neus voor samenwerking.

​

Terlouw gebruikt het sprookje als het perfecte vehikel om maatschappelijke hangijzers als milieuvervuiling, machtsmisbruik, bureaucratie, oorlog en onzinnige beleidsbeslissingen in het boek te sluizen. Onvoorstelbaar dat meer dan vijftig jaar na publicatie deze thema’s nog steeds – zelfs meer dan ooit – het nieuws domineren.

​​​​

Terlouws schrijfstijl is helder, vaak grappig en toegankelijk. Het boek leest als een trein. Een impressie (p. 95):

Column Maud Vanhauwaert_edited.png
Afbeelding3_edited.jpg

​

Dus als ik jullie, leerkrachten in spe én Maud een advies mag geven: 'Koning van Katoren' is een tijdloze klassieker die je in élke fase van je leven graag zult lezen. De rijke beeldtaal, de maatschappijkritische thema’s, het baldadige maar vindingrijke hoofdpersonage, de knullige, bekrompen antagonisten met hun welgemikte namen… Het zijn ingrediënten van de betere Netflix-reeks. Maar ik voorspel nu al dat het boek beter zal zijn.

​

Tot slot geef ik jullie de laatste zin van het boek cadeau, hoegenaamd geen verrassing voor een sprookje die naam waardig: “Het lijkt me wellevender om de twee jonge mensen op dit moment alleen te laten. Voor de zeer nieuwsgierigen zij nog vermeld dat ze inderdaad zijn getrouwd, en zij leefden nog lang en gelukkig.”

.

​

​​​

​

​

  Voor de jeugdige lezer: Raider was een dubbele chocolareep die jullie geheid kennen onder de naam Twix.​​

​

​

​

​

WES 4
Roman

'Schemerleven'
Jaap Robben

IMG_20250603_183829219_HDR~3.jpg

Graag had ik jullie op deze pagina warm gemaakt voor het romandebuut ‘Tosca’ van Maud Vanhauwaert. Dat was toch het plan. Ik ben echter niet verder geraakt dan pagina 45. Dat ligt niet aan Maud, want ik zit te popelen om pagina 46 aan te vatten. Het is de schuld van taak X, opdracht Y, verslag Z en voorbereiding 101 die al wekenlang ongenadig om voorrang schreeuwen.

​

Wat me ertoe bracht om in deze blog dan maar te verhalen over ‘Schemerleven’, een boek dat ik ongevraagd onder de kerstboom kreeg en ergens tussen Driekoningen en carnaval heb uitgelezen.  De schenkster is een onvervalste fan van Jaap Robben. In die hoedanigheid - en nog voordat ik het lintje rond het kerstpapier had los gewrikt -  toonde ze zich overenthousiast bij het vooruitzicht dat ik binnenkort ook tot de fanclub zou gaan behoren.

​

​​Het duurde toch bijna een half boek vooraleer ik een klein beetje fan werd. Ik was, toegegeven, sceptisch om het levensverhaal van een oude vrouw neergepend te weten door een blanke man van eind dertig. Maar het moet gezegd: in zijn eenvoudige, lichtjes onderkoelde stijl lukt het Robben vrij aardig om de gehavende stem van Frieda (‘Ietje’) neer te zetten.

​Haar man Louis viel op een dag zomaar neer op het tuinpad. Ietje blijft alleen achter. In haar nieuwe kamer in een verzorgingstehuis overpeinst ze haar leven. ‘We hebben het altijd goed gehad,’ zei Louis vaak. Meer dan een halve eeuw waren ze getrouwd en brachten samen een zoon groot. Toch is het niet Louis die rondspookt in haar hoofd vol mist. Er klinkt een andere stem uit een ver verleden: Otto, Otto, Otto. Het brengt een geschiedenis naar boven die teruggaat naar de winter van 1963.

​

De ingetogen mijmeringen van een bejaarde dame worden afgewisseld met passages die de lezer inkijk geven in de onstuimige en hartstochtelijke 21-jarige Ietje. We komen te weten dat ze een geheim met zich meedraagt. Een geheim dat zwaarder wordt met haar groeiende eenzaamheid in het bejaardentehuis. Louis heeft nooit geweten dat zijn vrouw een buitenechtelijke relatie had en nog een ander kind heeft gebaard. Het kind werd echter doodgeboren en ‘weggemaakt’. 

Het was vroeger een schande dat een kind ongedoopt stierf. ’Als ze geluk hadden, kregen ze op de begraafplaats een anonieme plek langs de heg’, zegt Robben daarover in een interview met de Standaard (3 juni 2023).

​

Ik heb het boek zeker niet in één ruk uitgelezen, daarvoor had het me te weinig in zijn greep. Pas naar het einde toe, kwam het (voor mij althans) op dreef. Het heeft ook te maken met Robbens sobere stijl, die dan wel adequaat is maar soms ook wat stouter mag.  De toon is bijwijlen kuis en de dialogen braaf. De sacrale toets van het aangesneden taboe vraagt om de nodige eerbied, maar je hoeft er ook niet tuttig over te doen.

​

‘Schemerleven’ is niet meteen een boek om op de leeslijst van de eerste of tweede graad te zetten, maar het legt wel een taboe uit de vorige eeuw bloot. Het kan een aanknopingspunt zijn om het met je leerlingen over geheimen, trauma’s en littekens te hebben, al te vaak teweeggebracht door de (ongeschreven) ijzeren wetten van een dwingend geloof.  Je zou haast vergeten dat onze bejaardentehuizen bulken van verhalen als deze.

​

​

​

​

​

​

​

hoofdstuk 31_edited.jpg

WES 2
Roman

ReinAard
door Tom Lanoye

ALS DE VOS DE PASSIE PREEKT 

BOER PAS OP JE GANZEN

Ik was al enkele weken aan het ‘jojo-lezen’ in de lijvige roman ‘Hotel Europa’ van Ilja Leonard Pfeijffer toen ik werd verleid door een sluwe vos. Vanop een tafeltje in een bekende boekenzaak keek ReinAard van Tom Lanoye me schalks en uitdagend aan. Voor ik het wist, hoorde ik de biep van mijn elektronische bankkaart en had ReinAard me in zijn greep. Het boek loodste me drie avonden lang door een magische, hypnotiserende trip.
 

 

ReinAard.png

 

Jullie weten (of niet) dat ik Tom Lanoye één van de beste schrijvers van onze Lage Landen vind. Als er één schrijver is die zonder brokken of botbreuken zijn tanden kan zetten in een van de bekendste werken uit de Nederlandstalige literatuur, is hij het wel.

 

Canon

​​

Ik hoef het verhaal van Reynaert de vos niet meer te vertellen; we namen het in WES 1 uitgebreid onder de loep tijdens de lessen over de literaire canon. Maar nu je toch aandringt, wil ik de rode draad wel even opfrissen.

​​

Het dierenepos 'Van den vos Reynaerde' vertelt hoe op de hofdag van koning Nobel de leeuw, alle dieren in het bos verzamelen blazen. Tijdens deze bijeenkomst regent het klachten over het wangedrag van Reynaert de vos, de enige afwezige. De koning kan niet anders dan Reynaert berechten. Maar hoe krijg je de listige vos zover dat hij zich als een schaap naar de slachtbank laat leiden? Nobel stuurt achtereenvolgens Bruun de beer en Tibeert de kater erop uit om de vos te dagvaarden.  Maar dat draait anders uit dan verhoopt. Beide dieren keren meer dood dan levend terug. Uiteindelijk slaagt Grimbeert de das erin om Reynaert mee te krijgen naar het hof. Daar wordt hij ter dood veroordeeld. Zijn aartsvijanden Bruun, Tibeert en Isengrijn de wolf krijgen de opdracht om de galg in orde te maken. Maar Reynaert zou Reynaert niet zijn als hij in het aanschijn van de dood een verbluffend verhaal weet op te dissen waarmee hij koning Nobel van zijn onschuld overtuigt (en in één ruk Bruun, Tibeert en Isengrijn aan de galg praat). Als Reynaert terloops ook nog een schat ter sprake brengt, loopt de koning met open ogen in de val die Reynaert heeft uitgezet. De vos krijgt gratie en tegen de tijd dat zijn bedrog aan het licht komt, is Reynaert al lang verdwenen.

​

Willem
 

Van de auteur van ‘Van den vos Reynaerde’ weten we alleen dat hij Willem heette en daarvoor een in die tijd bekend werk ‘Madocke’ heeft geschreven. Helaas is van dat werk geen snipper bewaard gebleven. We weten ook dat 'Van den vos Reynaerde' heel erg populair was in de dertiende eeuw. Dat blijkt onder andere uit het feit dat het een van de weinige literaire Nederlandse teksten is waarvan reeds in de middeleeuwen een Latijnse vertaling is gemaakt.

Van schurk tot schelm

​

Je kan niet anders dan Van den vos Reynaerde een briljant en subversief dierenepos noemen, waarin de schrijver de middeleeuwse maatschappij op satirische wijze een spiegel voorhoudt. In de middeleeuwse versie is Reynaert sluw en onberekenbaar, hoogmoedig en gewetenloos. Hij liegt, bedriegt en moordt, met als enige motief eigenbelang.

In de loop der eeuwen kreeg Reynaert de vos als cultureel icoon het aura van schalkse deugniet aangemeten, een sympathieke durfal die de omhooggevallen elite op gewiekste wijze te kakken zet. Laten we zeggen dat zijn wrede en harteloze kantjes er gaandeweg vromelijk werden  afgevijld.

ReinAard
 

In zijn boek ReinAard maakt Lanoye komaf met die flauwe karaktermoord van het hoofdpersonage. Hij grijpt terug naar de geest van het origineel.
Zijn Rein kent geen genade, is sadistisch tot op het bot en geniet van zijn kwaadaardigheid. De vos is wel zo eerlijk om dit toe te geven, in tegenstelling de hypocriete medebewoners in het bos. Met een psychologisch inzicht waar menig leerkracht jaloers op zou zijn, speelt Rein meedogenloos in op de hebzucht en inhaligheid van zijn tegenstanders. Dat ze door hem belazerd en mishandeld worden, is dan ook hun verdiende loon.

ReinAard, volledig in verzen geschreven, leest als een modderfokking trein. Het schrijfplezier druipt van elke pagina. Lanoye trekt alle registers open qua ritme en rijm.
De gesprekken die Rein met zichzelf voert of waarin hij al vloekend inwendig commentaar geeft op alles en iedereen – in contrasterende bloedrode letters - doen de lezer meteen denken aan de tirades van Risjaar Modderfokker.* Ook Reins innerlijke stem klinkt als een kolkende, woeste mengeling van Nederlands, Engels en dialect.


Ik illustreer dit met een fragment (p. 69) waarin Bruin de beer ReinAard meetroont naar het hof van Nobel om hem te laten berechten. Rein doet alsof hij lichamelijk zeer verzwakt is en Bruin krijgt meelij. ReinAard gaat inwendig te keer als een vloekende rapper.
 

​​

     Inmiddels weer wat gekalmeerd,
     De bron der tranen drooggewreven,
     De snuit opnieuw gesnoten, maar
     De blik nog steeds getormenteerd,
     Zei ReinAard enkel dit: ‘Pardon?’
          Terwijl hij dacht
You silly cow,
          You fokking achterlijke MORRON!
                What took you zo verrekte long
                Alvorens jij, you stupid ass,
                Wou bijten in het aas that I
                For you, from the beginning, had
                Bereid en klaargeleid? Ik schoot
                Hier bijna sodding wortel, gast -
                Nog één keer janken en ik gaf
                Vanzelf de geest. What do you think
                I am – een brandweerspuit, een spruit
                Met waterlandersdiarree,
                Een baviaan met tranenkanker?
         COME ON! Vraag het me nog ‘s, dude!
         Waag het, JUST ONE MORE TIME – en jij
         Bent er geweest, pathetisch beest. 

 
 

In de klas

​

Het lijkt me erg leuk om het boek – of enkele passages eruit – hardop voor te lezen in de klas. Of de leerlingen dit zelf te laten doen, eventueel na een kleine voorbereiding. Door de verzen hardop te lezen, voel je nog beter de cadans van de verzen: taal als ritmebox!


Ook is een analyse van de personages - en daarmee van de oerdrijfveren van de mens - na al die eeuwen nog steeds een feest​. Je kan hier bovendien een heleboel creatieve opdrachten aan koppelen.​

​​​​​

Het verhaal van Reynaert de vos is zelfs na bijna 800 jaar nog steeds een dankbaar lesthema. En met ReinAard van Tom Lanoye krijgt deze schelmenroman een jammende boost van formaat.

Op de volgende pagina  laat ik jullie, lezers, nog wat proeven van deze epische historie. Opgelet, niet voor gevoelige zielen!

​​​​​​

​​​​​​

​​​

​​​

* In ‘Ten Oorlog’ (1997), zijn marathonbewerking van acht koningsdrama's van William Shakespeare, voerde Tom Lanoye Risjaar Modderfokker den Derde op, een satirische versie van Richard III.
 

Lees je even mee?

Tybaart is net in de val gelokt door ReinAard. Die had de kater onder het valse voorwendsel van een heerlijke maaltijd vette muizen naar de schuur van de pastoor gelokt.  Tybaart komt vast te zitten in de ijzeren strik die Rein vooraf in een gat van de schuur had geplaatst. De pastoor en zijn medebewoners schrikken wakker van het tumult en Tybaart krijgt er nog een  geseling bovenop. Maar tybaart gaat in het verweer....

ReinAard p142_143_edited.jpg
ReinAard p_edited.jpg

In dit fragment lees je hoe ReinAard de massa trotseert die hem wil zien hangen. Enkel Helsewinde, de vrouw van Iezegrim de wolf, treurt om  het vooruitzicht van de dood van haar stiekeme minnaar. Terwijl ReinAard de dood in de ogen kijkt, krijgt zijn meesterlijke plan vorm.

het proces.jpg

WES 2
Jeugdboek

Het moois dat we delen

Ish Ait Hamou

 

Toen vorig jaar een medestudente tijdens een les van WES 3 lovend en zelfs met enige ontroering sprak over Het moois dat we delen wist ik dat ik het boek wilde lezen. Zonder nadenken heb ik het kleinood aangeschaft en vorige zomer - in stukken en brokjes - uitgelezen.
 

Nu ik voor deze blogopdracht nog eens door de artikels van mijn medestudenten blader, valt me op dat 'Het moois dat we delen' best wel wat aandacht kreeg. Erg origineel zal deze bespreking dan ook niet worden, het meeste wat erover te zeggen valt is al uitgesproken of neergepend. Of toch niet? Ik was er namelijk niet onverdeeld ondersteboven van.

​
​

In het kort


Het verhaal draait rond Soumia en Luc, twee mensen die in dezelfde buurt wonen maar elk in eigen wereld leven.


Soumia is een jonge, Marokkaanse vrouw die na vijf jaar te hebben vastgezeten, terugkeert naar huis, een niet nader genoemde stad in Vlaanderen.  We komen gaandeweg te weten dat ze als ‘taxi-terroriste’ medeplichtig was aan een bomaanslag. Het katapulteert de lezer onmiddellijk naar 22 maart 2016, de dag waarop een terroristische aanslag werd gepleegd op de luchthaven in Zaventem en het metrostation in Brussel.

Haar hele bestaan wordt op dat moment herleid tot die ene inschattingsfout. Vanaf de eerste pagina voel je haar voorzichtige terughoudendheid: de manier waarop ze luistert naar geluiden in huis, hoe ze zichzelf probeert onzichtbaar te maken en het contact met haar vader en broertje ontwijkt maar tegelijk wil opschonen. Het is alsof ze opnieuw het recht op haar aanwezigheid moet verdienen. Als Hassan, de kruidenier om de hoek, haar een job aanbiedt komt één en ander in een stroomversnelling.

​​

Luc, aan de andere kant, belichaamt een ander soort verlies. Sinds de dood van zijn vrouw reikt zijn blik niet veel verder dan de kruidenierswinkel om de hoek, de dagelijkse bezoekjes van thuisverpleger Thomas en zijn wekelijkse uitje met schoonbroer Albert naar de lokale voetbalclub. Luc is eenzaam, verbitterd zelfs en dwaalt rond in het verleden.  Daar komt geleidelijk verandering in als - dankzij Thomas - de dagelijkse boodschappen van kruidenier Hassan voortaan aan huis worden geleverd … door Soumia. Wat Luc op dat moment niet weet, is dat zijn vrouw Maria gedood werd door het terroristenkoppel dat door Soumia per taxi naar de plaats des onheils werd gereden.

​

Je vindt geen spoiler in deze blog maar ik kan wel zeggen dat de plottwist zorgt voor een kippenvelmomentje.

​​

Eendimensionaal en emotioneel

​​

Het valt op dat de auteur maar één type autochtone Vlaming opvoert. Maar wellicht noopt het verhaal tot die keuze; de aanvankelijke ongemakkelijkheid en de voorzichtig ontluikende vriendschap tussen de twee stadsgenoten komen zo beter uit de verf.
Soumia en Luc kampen allebei met zware psychologische trauma’s. Naar mijn gevoel had een iets subtielere aanpak voor een grotere impact bij de lezer gezorgd. Nu krijgt hij iets te opdringerig allerlei gevoelens onder de neus geduwd. Zo benoemt Soumia meermaals de onomkeerbaarheid van haar daad: ‘Uit alle macht probeer ik een weg te vinden naar gisteren. Een gisteren waarin het leven nog vanzelfsprekend was’. Of, in een flashback: ‘Alleen wist ik niet dat morgen nooit zou komen. In ieder geval niet de morgen die ik voor ogen had.’ Het letterlijk willen formuleren van complexe emoties krijgt dan al snel iets clichématig. Met het risico dat Soumia en Luc gereduceerd worden tot respectievelijk schuldgevoel en rouw.

​​

Toch zijn de perspectieven van Soumia en Luc waardevol, al lezen we weinig tot geen moeilijke gesprekken tussen de twee. Het boek draait rond vergeving en daar blijkt het hoofdpersonage met onmenselijk gemak in te slagen. Was het maar zo simpel, denk ik dan, snijdende trauma's en maatschappelijke scheuren dichtsmeren met muntthee en voetbalpraat.

​​​

In Het moois dat we delen hebben enkel de twee protagonisten wat vlees aan hun botten. De andere personages zijn oppervlakkig uitgewerkt, we komen zeer weinig over hen te weten. De twee personen die de aanslagen pleegden, blijven schimmen zonder karakter. Ze worden enkel getypeerd als ‘zeer gelovig’ en als mensen die ‘niet deugen’. Schoonbroer Albert blijft evenzeer een stereotype. En van Hassan de kruidenier weten we dat hij een brave moslim is die het goede ziet in elke mens en iedereen volop kansen gunt. Vlakke figuren kortom.

​​​

Fileren in de klas

​​

Het boek leest vlot en is geschreven in een eenvoudig, uitgepuurd Nederlands. Voor een derde (en misschien ook tweede)  graad is het zeker te behappen. Het is vooral de thematiek en structuur die het boek interessant maken.

Zo biedt 'Het moois dat we delen' een voor de hand liggende opening om in de klas het thema racisme aan te snijden. Hoe gaat onze maatschappij om met migratie en diversiteit? Welke vooroordelen hebben mensen over elkaar? Hoe moeilijk is het om over je eigen vooroordelen heen te stappen en écht naar mensen te luisteren? Wat maakt iets tot een onvergeeflijke daad?

 

Ik vind het ook een dankbaar boek om te gebruiken in een les over bouwstenen van een verhaal. Het boek is opgedeeld in vier hoofdstukken: Zij, Hij, Hij & Zij en Wij. Die verschillende vertelperspectieven nodigen uit tot analyse. Daarnaast kan een bespiegeling over de karakters van de protagonisten, antagonist, nevenfiguren en figuranten afgetoetst worden aan de theorie over vlakke en volle figuren bijvoorbeeld. Verder zijn de spanningsboog in het verhaal, de thematiek(en), het spelen met de tijd en ruimte boeiende elementen om te verkennen.  

​

Het blijft een aan te prijzen boek, zeker voor leerlingen uit een tweede of derde graad het secundair maar nog meer als analysemateriaal voor in de klas.

Passage uit Het moois dat we delen:

Soumia gaat het huis uit, op verkenning door haar stad na 5 jaar afwezigheid. Onderweg komt ze een 'oude bekende' tegen.
Passage jeugdboek_edited_edited_edited_e
Passage 2 jeugdboek_edited_edited.jpg
bottom of page