
WES 1

Hoogbegaafd
maar onder de radar
Omdat het herfstnummer van Apache geheel in het teken van onderwijs staat, wil ik jullie het artikel "Hoogbegaafd maar onder de radar" evenmin onthouden. Gewoon klikken op de titel van betreffend artikel in de balk bovenaan deze pagina.
Hier krijgt voormalig minister van onderwijs Ben Weyts wederom een veeg uit de pan. De middelen die hij in 2019 toekende aan de opstart van het CSF-project (Cognitief Sterk Functionerende leerlingen) blijken een schamele druppel op een hete plaat. En het gaat niet alleen over centen. Erger nog is dat de minister boudweg de expertise miskent die sommige scholen jarenlang hebben opgebouwd rond het werken met hoogbegaafde leerlingen. En hij zo naast de grote stap voorwaarts binnen het Vlaams onderwijsbeleid grijpt.
​​
Samengevat: hoogbegaafdheid hoeft geen probleem te zijn maar wordt het wel als het onder de radar blijft.
​​
Hoe het kabinet van Ben Weyts de Vlaamse onderwijsinspectie
aan banden legde
​​
​
Schrik niet, beste lezer. Van dit artikel (klikken op de titel in de balk bovenaan) word je wellicht niet vrolijk. Jan Stevens, journalist bij Apache, onderzoekt de ware toedracht van de vervroegde pensionering van onderwijsinspecteur Lieven Viaene.
Er is al veel inkt over gevloeid, maar voorlopige conclusie is nog steeds dat een intimiderende sms van voormalig onderwijsminister Ben Weyts aan de basis ligt van deze beslissing.
En het wordt er niet veel beter op. Want voor haast evenveel wenkbrauwgefrons zorgt de opvolging van Viaene door Katrien Bonneux. Zij is sinds maart 2021 kabinetschef van Weyts en haar benoeming ruikt naar onvervalst nepotisme. Er wordt gefluisterd dat Bonneux de nodige onderwijservaring mist en tegelijk erg bedreven is in het gehoorzamen van haar minister. Uiteraard ontkent Ben Weyts in alle toonaarden.
​
De thematiek is op zijn minst relevant omdat minister Weyts blijk geeft van politieke inmenging in een domein waar onafhankelijkheid altijd als een kwaliteitskeurmerk werd beschouwd.. Er rijzen hoe dan ook vragen over de onafhankelijkheid van de onderwijsinspectie wegens politieke druk bij de erkenning van bepaalde scholen. inmenging in onderzoeken van de inspectie, persberichten die eerst 'de filter van het kabinet' moeten passeren om dan te worden herschreven in het voordeel van het beleid van de minister, ...
Dat is allemaal zeer verontrustend en ik volg Viaene helemaal als die stelt dat de onderwijsinspectie "pas slagkracht heeft als ze onafhankelijk van de politiek kan functioneren en objectief over de effecten van het beleid kan rapporteren. Als ze gebruikt wordt om voor de minister te rijden, heeft ze die niet".
We willen geen witte scholen, maar zeker ook geen zwart-gele scholen in de toekomst. Wat denken jullie?
Minimumdoelen in kleuteronderwijs?
VRT 5 december 2024
https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2024/12/05/minimumdoelen-voor-kleuters-goed-idee-of-niet/
WES 1
Zoals haar voorganger Ben Weyts reeds aankondigde, wil Vlaams minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA) minimumdoelen uitwerken voor het kleuteronderwijs. Ze is van mening dat ons onderwijs vanaf jonge leeftijd moet inzetten op kennis – met name van wiskunde en de Nederlandse taal – waarbij extra aandacht moet gaan naar woordenschat en luistervaardigheid.
​
Uit een recent rapport blijkt immers dat Vlaamse leerlingen slecht scoren op wiskunde en wetenschappen. Die vaststelling is de motor om ons kleuteronderwijs anders aan te pakken. "De kleuterklas moet weer meer een klas worden, en minder een crèche", aldus Demir, maar niet iedereen is het daarover eens.
Kleuters moeten kunnen spelen en niet al van jongs af prestatienormen opgelegd krijgen, klinkt het. Ook wordt Demir een bureaucratische aanpak verweten, die voorbij gaat aan de uitdagingen van vandaag.
​
Niettemin is een snelle reactie op de dalende leerprestaties noodzakelijk. In dit artikel van VRT-nieuws - zie link hierboven - stelt onderwijsexpert Machteld Verbruggen (van hogeschool Thomas More) dat het ervaringsgericht leren, zoals dat nu in het kleuteronderwijs wordt toegepast, alleen werkt als kinderen van thuis uit voldoende worden gestimuleerd en culturele bagage meekrijgen. Dat lukt om diverse redenen niet voor elke ouder.
In de klas pikken kleuters al spelenderwijs kennis op, maar volgens Verbruggen doen we het op systeemniveau niet zo goed en zou de aanpak veel doelgerichter moeten. Om die reden is ze voorstander van het plan van minister Demir om minimumdoelen in te voeren in het kleuteronderwijs.
​
Ik ben van mening dat er niets mis is met de (meer vrijblijvende) ontwikkelingsdoelen die nu reeds bestaan. De absolute focus die Demir (en haar partij NV-A) wil leggen op de Nederlandse taal, gaat voorbij aan het feit dat de taalverwerving van jonge kinderen grillig is. Kleuters leren taal in sprongen en volgens eigen tempo. Het leeftijdsverschil in de derde kleuterklas kan ook aanzienlijk zijn: kinderen geboren in januari kunnen op vlak van taalontwikkeling al veel verder staan dan kinderen geboren in december. De gehanteerde schooltaal is bovendien voor heel wat kleuters niet dezelfde als de thuistaal, zelfs als die thuistaal Nederlands is.
Ook is het van groot belang dat kinderen met een anderstalige achtergrond eerst hun eigen moedertaal leren beheersen vooraleer ze zich een vreemde taal eigen kunnen maken. Als kinderen thuis hun moedertaal goed leren spreken, kunnen zij beter Nederlands leren. De moedertaal is de taal is waarin we denken en dromen. Kinderen kunnen hun moedertaal niet zomaar uitschakelen. Het erkennen van deze moedertaal, zeker in het kleuteronderwijs, lijkt me een basisvoorwaarde voor degelijk en rijk taalonderwijs.
​
Verder kan in twijfel worden getrokken dat kinderen in de kleuterklas alleen maar spelen en niet tot leren komen. Het is de logica zelve dat peuters en kleuters spelen. Mocht dat niet zo zijn, zouden we extra hard aan de alarmbel moeten trekken. Ze spelen en exploreren om de wereld rondom hen te verkennen. Dat spontane spelen vormt de basis om te leren en nieuwe dingen op te pikken. Spelen betekent dus niet dat er in de kleuterklas niet doelgericht wordt gewerkt, zoals Demir oppert.
​
De minister gaat ook voorbij aan het feit dat we vandaag geen leerplicht hebben voor jonge kleuters, die ligt nu op de leeftijd van 5 jaar. De leerplicht invoeren voor de jongste kleuters heeft structureel wellicht meer impact dan het uitwerken van nieuwe minimumdoelen.
​
Bovendien mag je ook niet naast de zorgnoden kijken want in elke klas zitten wel kinderen die er niet helemaal thuis horen. Kinderen met een verstandelijke beperking of met gedrags- en ontwikkelingsstoornissen hebben specifieke onderwijsbehoeften en vragen veel van de leerkracht.
De intensieve begeleiding en tijdsinvestering die deze kinderen nodig hebben, gaan ten koste van de kwaliteit van het onderwijsaanbod in de (kleuter)klas.
Het onderwijsveld is vragende partij om het onderwijssysteem te verbeteren. Wil minister Demir ernstig werk maken van een degelijk onderwijsbeleid en duurzame oplossingen creëren, is het de evidentie zelve dat ze mensen uit het werkveld betrekt in dit debat en luistert naar praktijkervaringen. Het gaat immers om de toekomst van ons allemaal.
WES 3
DS, 8 maart 2025

Interview
© Fred Debrock
​​​​
​
Er lijkt een ommezwaai gaande in het Vlaamse onderwijs, en een van de vertolkers is didactisch expert Tim Surma. “Waarover je niets weet, kun je moeilijk kritisch nadenken. Vooral minder begunstigde leerlingen profiteren van kennis.”
​
​ “Het Vlaamse onderwijs zit in de grootste omwenteling sinds de jaren tachtig”, zegt Tim Surma. “Over dertig jaar zal naar dit moment teruggekeken worden om een evaluatie te maken van de keuzes.”
​
Surma heeft pijn aan de rug. Hij is gevallen met de fiets, “niets ergs”. Maar elk kwartier moet hij even staan om te stretchen. “Zo voel ik me direct opnieuw een leerkracht”, zegt hij, in een lokaaltje van Thomas More in Antwerpen. Surma, onderwijswetenschapper, gaf zeventien jaar wiskunde aan pubers. Sinds 2019 is hij aan een nog grotere missie begonnen: helpen het tij te keren in het Vlaamse onderwijs.
​
Hij leidt het Expertisecentrum Onderwijs en Leren, dat leerkrachten bijstaat om beter les te geven en hun klas beter te managen. Maar de laatste jaren is zijn focus uitgebreid naar de “kennisrevival”. Hij is volop bezig met de zoektocht naar een “kennisrijk curriculum”. Zo reist hij geregeld met groepjes directeurs naar Nederland en Engeland om zich te laten inspireren en hun methodes te analyseren. “Reisbureau Surma”, noemt hij het op Whatsapp.
​
Maandag vertrekt hij opnieuw naar Engeland, op vraag van minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA), samen met de hoofden van de onderwijskoepels en een groep journalisten. De keuze van de minister is niet toevallig. Surma en zijn team vormen de spil van een omwenteling. Om het even op een rijtje te zetten: hij is een van de negen leden die de nieuwe eindtermen van het basisonderwijs mee vormgeven. Zijn collega’s begeleidden al meer dan 300 scholen en bereikten vorig jaar via lezingen 15.000 leerkrachten. En zijn laatste worp, de wetenschappelijke publicatie Developing curriculum for deep thinking”, kende op twee weken tijd 100.000 downloads.
​
Kinderen lezen vandaag minder goed en minder graag, en rekenen minder goed. Directies sukkelen in een burn-out en de zieke leraar kan niet worden vervangen. En toch, toen de dramatische Timss-studie in december verscheen, tweette u iets als: “Het is een heuglijke dag”. Waarom?
​
“Het katholiek onderwijs mailde die dag naar zijn scholen dat het een serieuze koerswijziging plande, met de klemtoon op effectieve didactiek, klasmanagement, en een kennisrijk curriculum. Dat kwam voor mij als een totale verrassing. Maar het was wel de bevestiging: het Vlaamse onderwijs is wakker geworden.”
“Scholen en leraren zijn vandaag vragende partij om opnieuw meer de nadruk te leggen op goed lesgeven, vanuit sterke leerplannen en lesmaterialen. En dat stemt me zeer hoopvol, omdat we weten dat dat belangrijk is voor de onderwijskwaliteit. Ik zie ook veel scholen en scholengroepen zelf daarmee aan de slag gaan. Dat was, voor alle duidelijkheid, heel erg nodig. Een grote groep jongeren groeit vandaag op in kennisarmoede.”
​
Wat bedoelt u daarmee?
​
“Kennis is wat je weet. En wat je weet, bepaalt wat je ziet, hoort, begrijpt, waarover je kunt nadenken, enzovoort. Waarover je niets weet, kun je moeilijk kritisch nadenken. Door een samenzwering van goede bedoelingen kreeg kennis tegenkanting. En dat leidde tot die kennisarmoede.”
​
Over welke goede bedoelingen heeft u het?
​
“Eind jaren 70 kreeg kennis een elitaire connotatie. Het zou een middel zijn om sociale verschillen in stand te houden. Later zette de technologische vooruitgang een rem op het belang van kennis. Mensen dachten dat kennis niet meer nodig zou zijn. Waarom nog tafels van vermenigvuldiging leren als je een rekenmachine hebt? Waarom iets memoriseren als het internet bestaat? En ten slotte was er de toegenomen aandacht voor ‘21st century skills’. Grote bedrijven stelden bepaalde vaardigheden voorop die ze belangrijk vonden, zoals creativiteit of kritisch denken. Die zijn vervolgens in het onderwijs beginnen door te wegen.”
​
Maar op lange termijn zijn ze alle drie schadelijk gebleken, zegt u.
​
“Vandaag zijn alle drie die evoluties ontkracht. Eén: kennis heeft niets elitairs. Sommige kinderen krijgen door omstandigheden bepaalde kennis niet mee van thuis en andere wel. Welnu, een heropleving van de kenniscomponent werkt net emanciperend. Twee: kennis blijft belangrijk, ook met technologische vernieuwingen zoals AI. Door de technologie hebben we sneller toegang tot informatie. Maar je mag dat niet verwarren met kennis. Kennis is verwerkte info in je hoofd die je toestaat om te denken. Als je een tekst leest en je kent een heleboel woorden niet, dan verlies je tijd en vooral: begrip.”
“En dan nog die focus op de vaardigheden van de toekomst. Er is niets mis met algemene vaardigheden an sich, alleen: je kunt ze niet trainen in het luchtledige. Je kunt niet ‘kritisch denken’ oefenen en er dan van uitgaan dat je dat zomaar kunt toepassen op alle facetten van het leven.”
​
Wat maakt een kennisrijk curriculum zo bijzonder?
​
“Dat het helder, coherent, en door inhoud aangedreven is. Dat is een contrast met de situatie vandaag, daar primeert vaagheid. Om het anders te verwoorden: een kennisrijk curriculum is een belofte die leerkrachten aan elkaar doen. We zien in het buitenland klassen waar kinderen van tien jaar geanimeerde discussies voeren over de klimaatverandering. Dat kunnen ze omdat de leraren van elkaar weten dat ze in de kleuterklas uitleg hebben gegeven over de werelddelen; in het eerste leerjaar over vulkanen en het weer; in het tweede jaar over landbouw; in het derde jaar over klimaatzones en bevolking. Die gemeenschappelijke voorkennis maakt het heerlijk werken voor een leraar.”
​
Wat is voor u de grootste troef?
​
“Kinderen die meer en beter leren, stappen vaardiger de maatschappij binnen. Voor mij speelt het rechtvaardigheids- en sociale aspect zeer sterk mee. Het is ideologisch, ik weet het, maar ik geloof dat onderwijs moet helpen om ongelijkheden in de samenleving te compenseren. En via een zorgvuldig opgebouwde kennisbasis kunnen we een stukje ongelijkheid wegwerken. De minder begunstigde leerlingen profiteren het meest van een kennisrijk curriculum. Die visie staat haaks op de chronische onderschatting van deze groep – de zogenaamde tirannie van de lage verwachtingen.”
​
Vaak wordt het beeld geschept dat het allemaal ‘terug naar vroeger’ gaat.
​
“Ik betwijfel dat dat klopt. Ik heb vroeger als leerling hele schoolborden met tekst overgeschreven: er was soms echt slechte didactiek te zien, hoor. Wat wél ‘terug naar vroeger’ is, is de leidende en sturende rol van de leraar. Lang werd er te veel verondersteld dat het allemaal vanuit het kind moest komen, terwijl we nu zien dat dat romantische idee niet zo goed werkt bij grote groepen leerlingen. En dat is slechts een van de misvattingen die nog leven.”
​
Welke zijn er nog?
“Velen stellen kennisrijke curricula gelijk aan drill and kill: leerlingen die zaken uit hun hoofd moeten leren en dat moeten afratelen in de klas. Dat is niet correct. Kennis wordt net de moeite waard gemaakt om te onthouden. Omdat ze zich koppelt aan wat eerder al is opgebouwd.”
​
Is het niet gevaarlijk om er te veel van te verwachten? De juf die vandaag geen staartdeling krijgt uitgelegd, zal niet automatisch veel verder springen met een kennisrijk curriculum, toch?
​
“Nee, en dat is een van onze grootste bezorgdheden. Hoe voer je een nieuw curriculum in zodat de leerkrachten en leerlingen mee zijn? Maar bekijk het zo: hoge verwachtingen stellen, betekent ook veel kansen geven om over de lat te geraken. Dat doe je door verdomd goed les te geven. Een voorbeeld: als ik mijn kind de straat leer oversteken, dan stop ik niet na één uitleg, in de verwachting dat ze het dan zelf zal kunnen. Nee, ik leg het tien, twintig, dertig keer uit. Tot het lukt. Dat moet in het onderwijs ook zo zijn. Met alleen een goede uitleg raak je er niet.”
​
Een groeiende groep ouders zoekt antwoorden in andere onderwijsvormen. Een van de aspecten die daarbij opvallen, is het belang van welbevinden.
​
“Iedereen wil dat zijn kind zich goed voelt. Maar ik stoor me aan het populaire idee dat het momentane welbevinden belangrijker is dan het duurzame welbevinden. Geletterd zijn, een brede basis hebben: dat zijn zaken die je nodig hebt om mee te kunnen in de maatschappij.”
“Ook tegenstanders van het kennisrijk curriculum wijzen vaak op de valse tegenstelling tussen leren en welzijn. Uiteraard moet je in de gaten houden of een kind zich goed voelt op school. Maar welbevinden en kennis zijn niet omgekeerd evenredig. Waarom zou een kind dat veel leert minder goed in zijn vel zitten?”
​
Heel wat scholen in Engeland en Nederland die inzetten op een kennisrijk curriculum focussen ook op gedrag. Voor de hand liggend?
​
“Gedrag behoort evengoed tot het curriculum. Een school is een minisamenleving. Je hebt afspraken nodig. En het lijkt me bijzonder wenselijk om die te expliciteren voor leerkrachten en leerlingen. Als je van leerlingen verwacht dat ze ’s morgens ‘Goedemorgen’ zeggen, dan moet je hen daarop aanspreken. Veel scholen gaan een stap verder en leren dat gedrag ook aan. Met succes, na een week zijn de leerlingen ermee weg. Met gedrag is het net als met kennis: als je iets niet aanleert, zijn het alleen degenen die het van thuis meekrijgen die het toepassen.”
​
Sommigen vinden dat rigide of kil. Snapt u dat?
​
“Ik snap dat. Maar gedrag vastleggen en aanleren is geen synoniem voor dictatoriaal handelen. Kinderen houden net van kleine routines. Door duidelijke verwachtingen te stellen, merk ik dat scholen minder last hebben met straffen en belonen.”
“Je creëert ook een grotere veilige mentale ruimte voor leraars. Zonder afspraken laat je hen los in de jungle van het klaslokaal. Dan creëer je een survival of the fittest. Enkel wie een natuurlijke gave heeft om met grote groepen om te gaan, blijft dan aan boord. Van een gedeelde aandacht voor goed gedrag profiteert het hele collectief van leraren. En ook de leerlingen.”
​
Ook de minister lijkt daar hard op te willen inzetten. Eerstdaags bezoekt ze de Michaela school in Londen, zowat de strengste school van Engeland.
​
“Kijk, ik zou mijn kind daar niet heen sturen. Maar wie zijn wij om deze kansenmachine te bekritiseren? Al jaren is het de school in Engeland die de grootste vooruitgang boekt met een superdiverse groep kansarme kinderen. Alleen al daarom zou het niet slecht zijn, mochten er ook een paar Michaela’s opduiken in ons onderwijs. Maar ook niet té veel.” (lacht)
​
​
​
​**************************​​​
​
​Is Vlaanderen klaar voor een revolutie in het onderwijs?
Als we onderwijsexpert Tim Surma mogen geloven - en dat doen we maar al te graag - wordt volop getimmerd aan de weg naar een nieuwsoortig onderwijs met een 'kennisrijk curriculum' als codewoord.
Dat werd tijd! Er bestaat alleszins weinig discussie over de dalende onderwijskwaliteit in Vlaanderen. Die trend werd de afgelopen decennia onvoldoende serieus genomen. De meeste scholen zijn dan ook vragende partij om de logge onderwijstanker te keren. We moeten af van het idee dat enkel bepaalde vaardigheden de hefboom tot kwaliteitsvol onderwijs vormen en dat loutere kennisoverdracht in onze technologische samenleving overbodig is geworden.
​
De elitaire connotatie die 'kennis' al decennia meedraagt, blijkt onterecht. Integendeel: kennisrijk onderwijs kan juist emanciperend werken. Bovendien mag je kennis niet verwarren met de veelheid aan informatie waarmee we in deze hoogtechnologische tijden overspoeld worden. Zonder kennis ben je niet in staat om gericht informatie te filteren en kritisch je weg te vinden in het overaanbod aan (ir)relevante artikels, moeilijke begrippen en (on)betrouwbare data.
Ik ben het hoe dan ook eens met Tim Surma dat de focus op vaardigheden in het onderwijs een té groot gewicht heeft gekregen.​ Algemene vaardigheden verdienen aandacht maar zonder een stevig fundament kan je een vaardigheid als 'kritisch reflecteren' niet oefenen. Ook hier klinkt de roep om een stevige kennisbodem.
​​
​Het kennisrijk curriculum waar Surma graag naar verwijst, is gedreven door een samenhangende langetermijnvisie op inhoud. Idealiter bouwen kinderen vanaf de kleuter- en basisschool stapsgewijs hun kennis op: die gemeenschappelijke voorkennis vormt telkens de basis voor een volgende kennislaag. Dat is niet alleen fijn werken voor leraars, ook de kinderen bouwen gezamenlijk de ene na de andere kennislaag op, wat bovendien de sociale gelijkheid versterkt.
​
Surma benadrukt dat het niet de bedoeling is dat we terugkeren naar de tijd waar strenge schoolmeesters de plak zwaaiden, geen inspraak van kinderen werd geduld en vaak didactisch ook slecht werd lesgegeven. Nee, het gaat over kennis die de moeite waard is om te onthouden omdat ze wordt vastgehaakt aan wat eerder al is opgebouwd. Ik durf daar nog aan toe te voegen dat kleine klassen (max. 12 leerlingen) ook een succesfactor kunnen zijn in betrokken en kennisrijk onderwijs.
Het gaat ook over duidelijke afspraken, goed gedrag en heldere verwachtingen. Een kennisrijk curriculum beoogt bovendien kansenrijk onderwijs en bevordert zo het welbevinden van leerlingen.. Is een brede (kennis)basis niet het meest solide fundament om mee te kunnen in de maatschappij?
​
Het klinkt allemaal heel overtuigend in theorie en ik ben nu al fan van deze aanpak. Maar welke garanties zijn er dat dit ook in de praktijk werkt? Surma verwoordt het zo: "Hoge verwachtingen stellen, betekent ook vele kansen geven om over de lat te geraken. Dat doe je door verdomd goed les te geven." En het wel twintig tot dertig keer uit te leggen, als het moet. Awel, daar gaan we voor!
​
​
​
​​
​
​
​
​
​
​
​​
​
​
​
​
​
Zuhal Demir op schoolreis naar 'strengste school van Engeland'
​
​
​
​
​
​
​
​
​
Enkele dagen na het interview met Tim Surma in De Standaard, lezen we in een online VRT-artikel (11.03.2025) een uitgebreid verslag van het bezoek dat onze onderwijsminister Zuhal Demir bracht ​aan de West Free London School en Michaela Community School.
​
Er werd naar aanleiding van deze excursie in de pers volop gespeculeerd over de intenties van Demir: gaat ze enkel Britse 'oldskool' ideetjes opsnuiven of wil ze het Vlaams onderwijs effectief kneden naar het model van 'de strengste school van Engeland'? Is Vlaanderen überhaupt klaar voor een 'Zweinstein 2.0'?
​
Het verslag over de West Free Londen School leest als een bezoek aan een Vlaams internaat anno 1955: leerlingen gekleed in uniform staan netjes in het gelid en luisteren gedisciplineerd naar de ochtendtoespraak van een leerkracht. In de gangen hangt een (onnatuurlijke?) stilte. Glasharde gedragsregels vormen de hoeksteen van deze school, waarbij overtredingen consequent worden bestraft. Na een eerste waarschuwing nog eens ongevraagd je mond open doen in de les? Dan mag je nablijven en regels schrijven als "Morgen wordt een betere dag." Immers, je verspilt niet zomaar waardevolle lestijd van andere leerlingen.
Daar schuilt uiteraard waarheid in, maar was de houdbaarheidsdatum van die archaïsche aanpak niet allang verstreken? We krijgen een gelijkaardig plaatje geschetst van de Michaela Community School. De doorgedreven perfectie, strenge gedrags- en tuchtregels, centraal gestuurde leerinhouden, het hoge lestempo, de strak getimede (lunch)pauzes, het scanderen van schoolslogans en een verplicht dankwoord na de maaltijd, ... het roept onvermijdelijk vage herinneringen op aan een lang vervlogen streng katholiek schoolverleden.
En toch blijkt de aanpak te werken want de meest strenge school van Engeland kan de beste cijfers inzake leerwinst voorleggen. En dat niet alleen: het gedrag van de leerlingen is voorbeeldig, hun inzet uitmuntend.
​​
Dat onze leerlingen nood hebben aan meer structuur en heldere regels, staat buiten kijf. Ook het efficiënt inzetten van lestijden, met focus op kennisrijk onderwijs (zie het interview met Tim Surma hierboven) heeft mijn volle steun. En hoewel het voor een leerkracht ontlastend kan zijn om met centraal opgelegde, gedetailleerde leerplannen te werken - zodat alle leerlingen dezelfde kennis meekrijgen waarop telkens kan worden verder gebouwd - laat die sturing wel zeer weinig ruimte voor individuele creativiteit en een persoonlijke pedagogische inbreng.
​
​Tegelijk volg ik ook de genuanceerde aanvulling die Bruno Vanobbergen - voormalig kinderrechtencommissaris en heden directeur-generaal van Katholiek Onderwijs Vlaanderen.- doet in het artikel. De strenge aanpak van de Michaela Community School met focus op kennisrijk onderwijs en directe instructie, is meer dan alleen maar een karikatuur. De school beoogt vooral om ook de meest kansarme leerlingen optimale leerkansen te bieden en iedereen aan te zetten tot mooie resultaten. Het straffe is dat men daar nog in slaagt ook!
​
Laat ons dus het kind niet met het badwater weggooien. We zijn benieuwd naar wat onze onderwijsminister zal onthouden en vooral meenemen van deze excursie. Hopelijk het beste van twee werelden? Onze minister van Onderwijs mag dan wel "jaloers" zijn op de voortreffelijke resultaten die leerlingen van de door haar bezochte scholen scoren op nationale tests in Engeland, een 'perfecte' school kopieer je niet zomaar. Ze zal haar huiswerk dus grondig moeten voorbereiden.
Een cultuuromslag zal hoe dan ook een voorwaarde zijn om routine, structuur en discipline (opnieuw) ingang te doen vinden in (een aantal van) onze scholen.
Bovendien kan ook ons land prat gaan op knappe koppen met veel onderwijservaring en didactisch onderbouwde inzichten. Alleen moet je als minister ook daar je oor te luisteren durven leggen. Een breed overleg met de onderwijskoepels, ervaringsdeskundigen en onderwijsexperts zal hopelijk ook op Demirs nieuwe onderwijsagenda staan.
Lees het artikel hierna of op https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2025/03/11/zuhal-demir-bezoek-engeland-onderwijs-strengste-school/
​
​
​
​
​
​
​
​​
​
​
​
​
​
​​​​​​​​
​
​
​
​
​
​
​​
Zuhal Demir op schoolreis naar 'strengste school van Engeland': "We hebben meer orde en structuur nodig, al hoeven
we dit niet te kopiëren."​
​​
​
VRT di 11 mrt 18:52 door Sanne Baeck
​
​​
Vlaams minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA) is samen met de verschillende onderwijskoepels op bezoek in het Verenigd Koninkrijk. Ze wil er inspiratie opdoen bij de best presterende scholen, zoals de West Free London School en de Michaela Community School. Die laatste staat bekend als 'de strengste school van Engeland'.
​
Rijen leerlingen in schooluniform luisteren op de speelplaats vooraan naar de korte toespraak van een leerkracht over de hoge verwachtingen voor elk van hen. Leerlingen die het goed hebben gedaan die dag, worden geprezen. In stilte vertrekken ze daarop naar hun klas voor de volgende les aan de West Free London school, een gratis school voor secundair onderwijs voor leerlingen uit de buurt, ongeacht hun leerprestaties.
​
“Ik ben jaloers,” fluistert Vlaams minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA) wanneer ze ziet hoe hoog leerlingen op nationale tests scoren: bij de 1 procent beste scholen van Engeland. Klassen tellen een 25-tal leerlingen – wat hier eerder weinig is – en toch valt de rust op in deze school.
Leerkrachten roepen niet op de leerlingen. Er is wel een competitief puntensysteem voor gedrag en er gelden duidelijke regels, legt directeur Robert Peal uit: “In de gangen is het stil. Wie spreekt zonder toestemming tijdens de les, krijgt eerst een waarschuwing. Een tweede keer moet je nablijven, en regels overschrijven als ‘Morgen wordt een betere dag’. Want wie de les stoort, verspilt lestijd van andere leerlingen, terwijl elke minuut waardevol is.”
​
Hendrik III voor kleuters
​
De kennis in de lessen schrijven leerlingen in essays neer in schriften en is zorgvuldig opgebouwd. Dat wordt nog meer duidelijk in de West Free basisschool. De 5-jarigen spelen na dat koning Hendrik III in 1264 gevangen werd genomen, en leren zo met veel drama over de oprichting van het parlement. In de latere leerjaren zullen de leerlingen die kennis herhalen en er verder op voortbouwen. Voor elke les krijgen leerkrachten een gedetailleerd lesplan, ruimte voor eigen inbreng is heel beperkt.
Differentiëren op niveau van de leerlingen gebeurt amper: “Want klassikaal goed lesgeven, helpt alle kinderen vooruit,” vindt Peal. Dat betekent dat de leerkracht de les met directe instructie leidt en continu en aan een hoog tempo alle leerlingen laat nadenken en antwoorden. Voor de leerkrachten wordt sterk op bijscholing ingezet om hen allemaal dezelfde didactische technieken en routines te laten toepassen.
​
Op dit moment werkt een commissie in Vlaanderen aan nieuwe minimumdoelen voor het basisonderwijs. Net als hier moeten die voor een kennisrijk curriculum zorgen. Demir rekent op de koepels om kwalitatief materiaal en effectieve lesmethodes daarbij te promoten. Ze droomt van een twintigtal Vlaamse proefscholen die net als in deze scholen sterk inzetten op kennisrijk onderwijs, directe instructie en routines.
​
Strengste school van Engeland
​
De meest tot de verbeelding sprekende school volgt een dag later. De Michaela Community School staat bekend als de strengste school van Engeland. De leerwinst die leerlingen maken doorheen hun schoolcarrière is nergens in Engeland groter. “Maar het meest trots ben ik op wie onze leerlingen zijn: ze zijn interessant, beleefd, vriendelijk en dankbaar. School gaat niet over slagen voor examens, maar over hoe we onze maatschappij van de toekomst willen vormgeven.” Ongewenst gedrag wordt daarom streng bestraft, goed gedrag wordt beloond.​
​
Aan het woord is de ietwat controversiële directeur Katharine Birbalsingh. Ze wil in haar school de waarden van de jaren 50 combineren met de modernste wetenschappelijke inzichten over hoe we leren.Het tempo in de lessen ligt bijzonder hoog: leerlingen krijgen continu een vraag voorgeschoteld om met hun buurman over te overleggen of klassikaal op te antwoorden. Een leerkracht weet meteen of iedereen mee is als de leerlingen hun hoofd op de bank leggen om met hun hand aan te geven hoe ze over de volgende vraag denken, zonder dat ze de handen van hun medeleerlingen kunnen zien.
​
Onderwijsexpert Tim Surma van hogeschool Thomas More noemt het een beangstigende vorm van doorgedreven perfectie: "Er gaat geen seconde lestijd verloren. Deze manier van lesgeven is heel intensief voor zowel leerlingen als leerkrachten. De leerkracht in mij wil af en toe ook zo kunnen lesgeven, maar in andere lessen wil ik wel nog buiten de lijntjes kunne kleuren, wat hier moeilijk gaat."
​
​
​
​
​
​
​
​
​
​
​
​
​
​
​
​
​
​
Na de les krijgen de leerlingen een getimed aantal seconden om in stilte naar de refter te hollen. Voor de maaltijd scanderen ze het gedicht invictus dat eindigt met de schoolslogan: 'I am the master of my fate, I am the captain of my soul.'
Tijdens de getimede lunch discussiëren ze geanimeerd met hun leerkracht en klasgenoten over wat een goede manier is om met jeuk om te gaan.
​
Na de maaltijd moeten leerlingen nadenken wie ze willen bedanken voor de rest van de groep. Een leerkracht krijgt een dankjewel met applaus voor de test en nieuwe leerstof van die ochtend. Een leerling die je het vraagt, zal welbespraakt vertellen hoe trots die is om hier bij te leren.
Ook in Vlaanderen?
​​
Hoe wenselijk is dit model voor ons onderwijs? Paul Buyck van de methodescholen ziet enkele gelijkenissen, zoals het belang van werken in stilte. Maar hij vreest bij dit soort onderwijs voor de erg beperkte ruimte voor de leerkracht om een eigen pedagogisch project te kunnen waarmaken.
Koen Pelleriaux van het GO! is vooral in de andere scholen onder de indruk van het Engelse teamwerk om de lessen kennisrijk op te bouwen en uit te denken: "We moeten leerkrachten meer stimuleren om samen te werken, al zal dat in sommige sommige scholen niet evident zijn.”
Bruno Vanobbergen van Katholiek Onderwijs Vlaanderen zou het zonde vinden om een karikatuur van de Michaela school te maken: “Deze school kiest bewust om er preventief op in te zetten om ook de meest kansarme leerlingen permanent bij de les te houden en hoge resultaten te kunnen neerzetten. Het is interessant om daar ook op onze scholen bewuster over na te denken. Al hoeft ons antwoord niet hetzelfde te zijn als hier.”
Ook Walentina Cools van OVSG apprecieert de visie om elk kind maximale kansen te geven, maar mist voor de leerlingen hier een pauzeknop. Dat beaamt de minister: “Ik zou deze leerlingen na dat harde werk een beetje meer rust gunnen tijdens de middagpauze en meer tijd vrijmaken voor sport en kunst. Maar we kunnen wel lessen trekken uit de manier waarop ze hier geen lestijd verliezen door een cultuur van orde en routines.”
​​​​​​​
​
​
​
​
​​
​
​
​​​​
​
​​
Zuhal Demir bezoekt de West Free London School. bart@lenoir.photo


Zuhal Demir bij de Michaela Community School bart@lenoir.photo
WES 3
11 maart 2025
WES 3
VRT NWS online, 11 maart 2025
WES 4
De Standaard 3 juni 2025
Veel toekomstige leerkrachten halen eindtermen lager onderwijs zelf niet
Door Klaas Maenhout
​
​
Studenten die aan de lerarenopleiding beginnen, slagen vaak niet voor de starttoetsen wiskunde, Frans en Nederlands. Het niveau daarvan ligt nochtans niet hoog: de tests zijn opgesteld op het niveau van 12-jarigen. Ook leerlingen uit het aso scoren vrij zwak.
​
Als het van minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA) afhangt, geven leerkrachten in het lager onderwijs over twee schooljaren les over het Gilgamesj-epos, het meewerkend voorwerp, rekenen met breuken of Garcia II van Kongo. Alleen zal dat de komende jaren heel wat druk op de lerarenopleidingen zetten. Veel jongeren die aan de opleiding beginnen, bezitten weinig parate kennis, blijkt uit de resultaten van de starttoets, die De Standaard kon inkijken.
​
Studenten die aan de lerarenopleiding beginnen, moeten sinds enkele jaren een test afleggen voor de start van het eerste jaar. De toets Nederlands is verplicht voor alle studenten – van het kleuteronderwijs tot het secundair. Wie in het lager onderwijs wil lesgeven, wordt ook op wiskunde en Frans getest. Afhankelijk van het resultaat, wordt remediëring verplicht of aangeraden.
​
Vooral op wiskunde en Frans scoren de leerkrachten in spe slecht. Voor wiskunde haalt een op de drie studenten niet de helft op de toets. Zij zijn verplicht remediëring te volgen. Nog een derde scoort net boven de helft en krijgt het advies om zich te laten remediëren. Voor Frans is de situatie nog ernstiger: 43 procent haalt minder dan 50 procent, nog eens 27 procent kreeg het advies om extra lessen te volgen. Voor Franse grammatica lag het gemiddelde onder de helft.
​
Delicaat thema
​
Het niveau van de toetsen ligt niet hoog. De starttoetsen voor wiskunde en Frans testen de minimumdoelen of eindtermen van het lager onderwijs: wat kinderen kennen en kunnen op het einde van het zesde leerjaar. Voor Nederlands is de test gebaseerd op de minimumdoelen voor het secundair onderwijs voor de dubbele finaliteit, het vroegere tso. Er wordt de studenten aangeraden niet voor de test te studeren, zo krijgen ze een eerlijk beeld van hun actuele kennis.
Voor Nederlands zijn de resultaten beter. Al komt hier een pijnpunt naar boven dat ook in internationale toetsen als Pisa terugkeert. Er zijn amper toppresteerders. Slechts 2,91 procent van de bijna 7.000 deelnemers scoort tussen 85 en 100 procent. Bovendien liggen de scores bij leerlingen uit doorstroomrichtingen – het vroegere aso – niet veel hoger dan bij leerlingen uit het tso of kso. “Niemand scoort spectaculair”, zegt iemand die bij de analyse betrokken was.
“Dit is geen blamage voor de lerarenopleidingen. Het toont alleen hoe slecht de kwaliteit van het secundair onderwijs vandaag is. En welke grote achterstand de opleidingen moeten goedmaken”, zegt een directeur van een hogeschool.
De toetsen zijn een uiterst delicaat thema. De Vlaamse Hogescholenraad heeft de lerarenopleidingen nadrukkelijk gevraagd om niet te communiceren over de resultaten. Ook de organisatie zelf communiceert niet. Ze schoof de hete aardappel door naar minister Demir. Maar ook haar kabinet wenste de resultaten niet te delen. Het ontkende aanvankelijk zelfs dat Demir de resultaten had.
Storm op komst
Achter dat stilzwijgen zitten meerdere redenen. De hogescholen vrezen om in een rondje zwartepieten te belanden met het secundair onderwijs. Tegelijk leeft de angst bij de lerarenopleidingen – die vaak al in een slecht daglicht gesteld worden – om opnieuw negatief in beeld te komen. Door het lerarentekort is elke leraar nodig. “En eigenlijk heeft deze test weinig voorspellende waarde voor het afleveren van goede leerkrachten”, zegt de persoon die bij de analyse betrokken was. “Het hangt vooral af van wat er in de lerarenopleiding zelf gebeurt.” Verschillende hogescholen maken een beweging naar meer focus op vakinhoud.
De komende jaren wacht de opleidingen wellicht ook een storm. Zoals aangekondigd in het regeerakkoord, plant Demir een hervorming van de lerarenopleiding. Geen enkele opleiding wil nu al iets aankaarten, uit vrees haar stuk van de taart te zien verdwijnen.
De hogescholen benadrukken zelf dat ze veel doen om de leerlingen bij te spijkeren. Ze bieden niet alleen verplichte pakketten van dertig uur aan, maar ook individuele remediëring. Zo organiseert Thomas More vakantiecursussen Nederlands, Frans en wiskunde. Andere hogescholen, zoals Artevelde, bieden trajecten van veertig uur wiskunde of tachtig uur Frans aan via een samenwerking met het volwassenenonderwijs.
Demir belooft externe kwaliteitscontrole
In een reactie na publicatie van dit artikel, benadrukt minister Demir dat de externe kwaliteitscontrole van de opleidingen dit najaar rond moet zijn. “De kwaliteit van onderwijs verhogen doe je niet alleen door hogere minimumdoelen op te leggen. De leerkracht is uiteraard de basis. En ook daar zijn we al langer mee bezig. Dit najaar krijgen we de kwaliteitscontrole van de lerarenopleiding. Deze resultaten bevestigen dat we ook daar gericht gaan moeten ingrijpen en hervormen.”
Aanvulling 4/6: de reactie van minister Demir werd woensdagvoormiddag 4 juni toegevoegd aan het artikel.
​
Reflectie
Beschamend en bedroevend maar ook niet verrassend. Ziehier mijn eerste reactie toen ik dit artikel las. Het is geen geheim dat leerlingen jaar na jaar slechter presteren voor basisvakken als Nederlands, Frans en wiskunde. Wat me wel treft, is dat het gemiddeld niveau van de starters aan een bacheloropleiding inmiddels zó laag ligt dat ze voor deze drie vakken zelfs het testniveau van 12-jarigen maar amper halen.
​
“Wat leren ze dan tegenwoordig eigenlijk op school?”, kan een weldenkend mens zich bijgevolg afvragen. En waarom moet je nog 6 jaar je broek slijten op een secundaire school als je uiteindelijk toch niet verder geraakt dan het niveau van een 12-jatige?
Het is wat kort door de bocht, maar het blijft wel een feit dat deze bedroevende resultaten menige wenkbrauw doen fronsen. Bovendien zijn het deze studenten die in de nabije toekomst onze kinderen en jongeren moeten onderwijzen. Help!
​
Met de kennis van het Nederlands lijkt het op het eerste zicht minder dramatisch gesteld maar tegelijk lezen we dat de lat in deze test best wel laag ligt en dat we in Vlaanderen amper toppresteerders hebben. Nog geen 3% scoort tussen 85 en 100 procent. Voor Frans is de situatie wel ernstig: 43 procent scoort ondermaats en meer dan een kwart haalde een nipte voldoende, met het advies om extra lessen te volgen.
Is de vraag hier gepermitteerd waarom wij eigenlijk al vanaf de lagere school Frans krijgen? We hebben acht jaar Franse les achter de kiezen tegen dat we afstuderen aan de secundaire school. En met welk resultaat? Eentje dat duidelijk te beschamend is om internationaal mee uit te pakken.
​
Hiermee is het cliché dat Vlamingen over een fenomenale talenknobbel beschikken meteen onderuitgehaald. Het plaatst de politieke eis van de gemiddelde Vlaming dat (zelfs analfabete) anderstaligen in een mum van tijd Nederlands moeten kunnen spreken, ook in een nederiger perspectief. Want met welke pretentie kunnen we Fatima of Amir veroordelen omdat ze na 5 jaar nog steeds geen vlot, accentloos Nederlands spreken?
​
Kern van de zaak is evenwel dat de slechte kwaliteit van ons (basis- en secundaire) onderwijs aankomende leerkrachten de das om doet. Hoe je die grote achterstand moet goedmaken, is en blijft een netelige vraag met uiteenlopende antwoorden.
De minister laat in een reactie achteraf weten dat de lerarenopleiding zich dit najaar aan een serieuze kwaliteitscontrole kan verwachten. Hopelijk wordt de geplande hervorming van het basisonderwijs en secundair onderwijs hierna niet vergeten.
​​

© Richard Brocken/anp
WES 4
Onze Taal - nr 3 - 2025
AI als leraar?

​
De tijd dat AI argwanend en afwachtend werd onthaald, ligt al even achter ons. Ook in het onderwijs maakt men volop gebruik van deze slimme technologie.
​
​Maar kan AI een oplossing bieden voor het lerarentekort in België en Nederland? Er worden al AI - hologrammen ingezet om leerlingen in de klas te onderwijzen. Is dat een goed idee?
​In het artikel wijst men op de gevaren van technologische afhankelijkheid. Zowel leerlingen als volwassenen zouden zonder hulp van AI slechter presteren, doordat ze minder oefenen en alzo minder vaardigheden ontwikkelen. Volwassenen die het gps-systeem verkiezen boven hun richtinggevoel tijdens een autorit, zouden zonder deze techniek minder goed navigeren. Onze spellingvaardigheid gaat er eveneens op achteruit als we altijd leunen op de autocorrectiefunctie. En verliezen we onze schrijfvaardigheid niet als we onze teksten steeds weer door AI laten schrijven of samenvatten? En zo ja, is dat erg?
​
Zoals met elke nieuwe technologische ontwikkeling, heb je voor- en tegenstanders. Ik ben van mening dat je het kind niet met het badwater mag weggooien. Er staan overigens een aantal aannames in het artikel, die niet zwart op wit bewezen zijn. Het lijkt me alleszins te vroeg om nu al te stellen dat we door gebruik van AI niet meer (foutloos en gestructureerd) kunnen schrijven. Het klopt dat schrijven een vertragende werking heeft en helpt om gedachten op een rij te zetten. Maar die vaardigheid verdwijnt niet plotsklaps met het gebruik van AI. Daarvoor gebruiken we deze tool ook nog niet lang genoeg.
​
Wel is het zo dat jonge kinderen opgroeien en leren leren met deze slimme denkmachine. Het is een taak van het onderwijs om hierin mee te groeien door de technologie te omarmen en onze leerlingen op een even slimme manier te leren omgaan met AI.
De laatste vraag in het artikel - worden we zelf minder slim door AI te gebruiken? - lijkt me niet alleen een drogreden maar gooit ook intelligentie en vaardigheden op één hoop.
Om maar te zeggen: het kritisch gebruik van AI moet in het onderwijs een welverdiende plaats krijgen maar dan wel naast het inoefenen van allerlei productieve-, sociale en cognitieve vaardigheden.
Of wat zou AI hierover denken?
WES 2
De Standaard
18 september 2025
Transcription of a sea








WES 2
MSK Gent
17 oktober 2025
Omdat artikels over cultuur eveneens thuishoren in deze rubriek, wilde ik graag kort inpikken op de prachtige recensie die Geert Van der Speeten schreef in De Standaard van 18.09.2025. Want voor mij was Transcripts of a sea van Stephan Vanfleteren de indrukwekkendste tentoonstelling van 2025.
Ik was hoe dan ook heel benieuwd. En met een museumpas in de hand, kom je door het ganse land. De diploma-uitreiking van mijn jongste zoon was de perfecte reden om naar Gent te reizen. De bejubelde fototentoonstelling van Stephan Vanfleteren in het MSK bood ook nog eens het perfecte excuus om een dagje langer in deze heerlijke stad – ooit ook mijn studentenstad – rond te hangen.
​​
Zoals Van der Speeten terecht schrijft in het artikel hierboven, toont Vanfleteren zijn hoogstpersoonlijke interpretatie van de Noordzee, die hij bij nacht en ontij bestudeerde, beleefde, voelde en fotografeerde. Tegelijk is zijn interpretatie ook verrassend universeel. Hij confronteert je met de vele gedaantes van de Noordzee, de ene keer nostalgisch herkenbaar, de andere keer abstract want voorbij vorm en kleur. De zee herbergt nog meer schijnbare tegenstellingen: witte woeste schuimkoppen versus zacht glinsterende spiegelingen, haar onmetelijke schoonheid versus haar medogenloze wreedheid.
​​​
​
​​
​
​​
​​Tussen de foto's hangen prachtige zielsverwante schilderijen van onder meer Courbet, Permeke, Ensor en Van de Velde. Ze concurreren niet met elkaar maar zijn broederlijk complementair. De tentoonstelling leidt je overigens op compleet natuurlijke wijze doorheen het fotografische werk, de zorgvuldig geselecteerde schilderijen en poëtische oneliners. Beelden hebben geen woorden nodig maar soms hebben woorden net dát schilderij of dié foto nodig om voluit te kunnen landen.
​
​
​
“De zee, de snotgroene zee, de balzakbeklemde zee”, James Joyce (1882-1941).
​
​
​Als je je leerlingen wilt verrassen met een atypisch cultuuruitje, is deze tentoonstelling een voltreffer. Muren vol oergeweld, verstilling, speelsheid en esthetiek: ze benemen je bij momenten letterlijk de adem. Ik was alleszins overdonderd. Zoals een onverwachte golf je compleet plat kan slaan of je aan je enkels onderuit kan trekken.
Helaas niet meer te bezichtigen, want zondag 4 januari 2026 was de laatste kans.
“Er wordt gezegd dat een rivier beeft van angst voor zij in zee vloeit. Niet omdat ze verdwijnt in de oceaan, wel omdat ze de oceaan wordt.” Kahlil Gibran (1883-1931)


Transcripts of a sea
Het is een beetje absurd om tijdens een tentoonstelling van een gevierd fotograaf met een mobieltje plaatjes te maken van al die kunstige high definition foto's in superformaat. Maar hey, alles voor de blog!






WES 2
De lab-school: on-Vlaams maar wel de toekomst?
Recent nog las ik in de krant De Standaard over een nieuwe secundaire school. Voor ik me ga excuseren voor de lengte ervan - het is een interview – wil ik jullie, beste lezers, toch wel warm maken om er even doorheen te fietsen. Al was het ‘oriënterend’ of nee, doe toch maar ‘intensief’.
​
Oprichtster van deze experimentele lab-school is Kristien Bruggeman, die voorheen als econoom bij verschillende bedrijven, waaronder Ernst & Young, heeft gewerkt. Haar lab-school is genoemd naar de laboratory schools uit Chicago.
Nogal on-Vlaams want weg van het vastgeroeste scholenlandschap en zonder inmenging van een koepel of scholennetwerk, pioniert Bruggeman met een geheel nieuw concept.
​
Organisatie en structuur zien er helemaal anders uit in een lab-school. Bruggeman wil hiermee ook de huidige versnippering van tijd en middelen tegengaan. De vele tussenniveaus in het klassieke onderwijs ondermijnen volgens haar immers een efficiënte organisatie en daadkrachtige visie.
​
In de lab-scholen wordt lesmateriaal centraal ontwikkeld en gedeeld. Kennis is belangrijk maar moet wel ergens toe leiden. Teamwerk en professionalisering zijn sleutelwoorden en zorgen ervoor dat leerlingen vakoverschrijdend, projectmatig en ervaringsgericht aan de slag kunnen.
​
Qua organisatie zijn er grote verschillen met de doorsnee Vlaamse scholen zoals wij ze kennen. Zo starten leerlingen later met hun schooldag – wat beter is voor het puberbrein – en stoppen ze om 13u30.
Leraren werken iets langer want zij genieten van een 36-urenweek waarin alles zit omvat: de uren voor de klas, voorbereidingstijd, project- en teamwerk maar ook ruimte om te professionaliseren. ’s Avonds en in het weekend is er tijd om op adem te komen.
​
Een eerste lab-school zag enkele jaren het licht in Puurs-Sint-Amands. Nadien volgde Sint-Niklaas en binnenkort gaat er een derde school open in Antwerpen. Daarnaast staan er in vijf gemeenten nog lab-scholen in de steigers.
​​
De inspectie beoordeelde de lab-school onlangs nog als ‘een voorbeeld op het vlak van organisatiebeleid en visie.’ Daarnaast kan de school bogen op een kennisrijk curriculum, een dure term waar onze minister al te graag haar mond vol van heeft. Maar een kennisrijk curriculum alleen volstaat niet om de kwaliteit van ons onderwijs op te krikken. Er is ook organisatie en structuur, visie en reflectie maar vooral durf nodig om een onderwijs 2.0 uit te bouwen, dat zich weet los te wrikken uit logge structuren en de strak gesnoerde touwtjes van bovenaf.
Onderwijsminister Demir had zich alleszins dure excursies naar het buitenland kunnen besparen en zich beter laten inspireren door de lab-scholen in de provincie om de hoek.
​
Mocht er in de toekomst een lab-school in mijn buurt worden opgericht, ga ik er zeker solliciteren!
Na het lezen van het interview met oprichtster Bruggeman (hieronder), denk jij er wellicht net zo over! Laat het me weten via een post!
WES 2
De Standaard
2 januari 2026

Ze zijn zeldzaam, de ondernemers in het onderwijs. Kristien Bruggeman vluchtte weg van de vastgeroeste schoolstructuur en richtte een eigen school op. “Directeurs zeggen: wat jullie in acht maanden doen, daar doen wij acht jaar over.”
2 januari 2026 om 22:12
“Ik stoor me enorm aan de manier waarop er vaak over onderwijs gepraat wordt. Dan denk ik: ‘welke zot wil dit nog doen?’ Ik merk dat veel leerkrachten echt het gevoel hebben dat ze slecht bezig zijn. ‘We doen het niet goed en we kunnen niks.’ Dat gevoel leeft ook bij kinderen. Als er opnieuw slechte resultaten verschijnen, vragen ze me: ‘Zijn wij dan echt dommer dan jullie?’
​
In het verzuilde en vastgeroeste scholenlandschap is Kristien Bruggeman (52) een van de weinigen die in Vlaanderen echt iets in beweging zet. Zonder koepel of schoolnetwerk richtte ze een nieuwe secundaire school op, met een andere kijk op leren en organiseren. Geen klassieke lessen van vijftig minuten in een strak rooster, maar geïntegreerde vakken, projectwerk en langere leerblokken waarin leerlingen verbanden leren leggen, kritisch leren denken en zelfstandiger werken.
​
Na de eerste Lab-school, genoemd naar de laboratory schools uit Chicago, in Puurs-Sint-Amands, volgde een tweede school in Sint-Niklaas. Binnenkort opent de derde in Antwerpen. En dit jaar valt in nog vijf steden en gemeenten de beslissing om een nieuwe school op te richten. Het concept is telkens hetzelfde: minder studierichtingen, meer ruimte voor verdieping en samenwerking, en een schooldag die bewust anders is opgebouwd. Na blokken van ongeveer 100 minuten volgt een lange pauze buiten, met sport en ontspanning als vast onderdeel van de dag.
​
Buitenbeentje
Tegen wil en dank is Bruggeman zo opnieuw aan het ondernemen, een leven dat ze twintig jaar geleden achter zich had gelaten. Ze startte als jonge econoom bij Ernst & Young als revisor en nam later het familiebedrijf over. Als financieel directeur richtte ze simultaan nog twee andere bedrijfjes op. Toen ze hoogzwanger was van haar derde kind, stapte ze impulsief over naar het onderwijs. Ze werd leerkracht, gaf les in verschillende scholen en ging daarna onderwijskunde studeren. Tijdens een treinrit tussen Gent en Antwerpen besliste ze: ik richt een eigen school op.
Tien jaar later is ze een buitenbeentje in het onderwijslandschap. Haar scholen werken op een manier waar veel directeurs jaloers op zijn. Leerkrachten hebben er een 36 urenweek. Dat betekent: meer tijd op school, een bredere rol als leraar en ingebouwde tijd om te professionaliseren. Er wordt systematisch in teams gewerkt, er is extra ruimte voor beweging buiten en veel aandacht voor projectwerk. Smartphones verdwenen er al jaren geleden en een hoofddoek is er heel normaal.
Bruggeman streeft naar een duidelijke structuur én grote autonomie. Haar scholen hechten belang aan rust en routines, maar ook aan het ontwikkelen van zelfsturing.
Wat deed u beslissen om een eigen school op te richten?
​
“De vastgeroestheid in het onderwijs. Ik voelde me als leraar eigenlijk heel snel zelf opnieuw een leerling in het middelbaar. Ik moest weer keihard in de pas lopen. En dat lukte niet. Ik was te ondernemend, te rebels. Een voorbeeld: in het vak handel moesten leerlingen een ondernemingsplan maken. Daar zat behalve economie ook veel wiskunde en Nederlands in. Mijn collega’s en ik stelden voor om in onze springuren te co-teachen. Dat wij een extra halve dag werkten, vonden we geen probleem. Maar wat een gedoe om dat geregeld te krijgen. We moesten voortdurend overleggen met de directie en vakbond. We zijn actief tegengewerkt. Het standaardantwoord was: ‘dat mag niet van Brussel’. Nu weet ik dat dit excuus in 90 procent van de gevallen misbruikt wordt.”
​​
Het onderwijs komt vaak negatief in beeld. Hoe kijkt u er als directeur en ondernemer naar?
​​
“De regelgeving van het Vlaamse onderwijs was ongetwijfeld een mooie Belgische villa in de jaren 80. Vandaag is het een vervallen kot met 700 duivenkoten erachter. Ik vind het absurd dat we met twee mensen op nascholing moeten om te begrijpen hoe de administratie rond personeelsbeleid werkt.”
“Het resultaat is dat er te veel tijd en middelen naar alle tussenniveaus vloeit. Scholengroepen, koepels, diensten: alles is verkokerd en versnipperd. Wie zegt dat het systeem werkt? Het werkt duidelijk niet. Ik had vroeger een pedagogische begeleider: als ik in augustus geen afspraak maakte, kon het niet meer voor de rest van het jaar. Dat vind ik vreemd. Natuurlijk zijn er hele goede scholengroepen. Maar er zijn er ook waarvan ik denk: is het nodig om daar zestig administratieve personeelsleden voor in te zetten? Het gaat over macht, positie en ego, niet meer over kwaliteit.”
​
“Daarnaast zijn de data waarop beleid gebouwd wordt zwaar vervuild. Iedereen wordt gepusht om evidence informed te werken. Daar ben ik fan van, maar dan moet je wel goede data hebben. En die ontbreken. Kijk naar het plan ‘Goed gedragen’ van minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA). Gedrag is een groot thema, maar waarom worden er geen gerichte data gebruikt? Wij krijgen drie of vier uur voor een gedragsexpert, terwijl we die niet nodig hebben. Andere scholen met zware gedragsproblemen krijgen veel te weinig ondersteuning. Ik hoor verhalen van collega-directeurs waarbij ik denk: jezus, begin er maar aan.”
De minister zette het onderwijsveld net voor de kerstvakantie nog eens in brand door verschillende vrije dagen voor leerlingen te schrappen. Ook dat helpt niet.
​
“Die beslissing heeft weinig impact op onze werking. We kiezen er al langer voor om niet voor elk vak aparte examens te organiseren. Tot voor kort kwamen de leerlingen in de week na de examens tot en met donderdag naar school (terwijl andere scholen dan al kerstvakantie hadden, red.). Op hun vraag geven we hun nu een dagje extra vrij. Dat geeft onze leraars tijd om samen trajecten voor te bereiden. En ook het voorstel dat niet iedereen aanwezig moet zijn op de klassenraad, passen we al toe. Leerkrachten LO zijn er bijvoorbeeld niet altijd bij. Zij hebben vaak een ruimere kijk op sommige kinderen, maar die kun je ook gewoon doorgeven of mailen.”
​
De meest gevoelige hebt u niet aangeraakt: de pedagogische studiedag.
​
“Ik heb op vorige scholen gezien hoe die dagen soms ingevuld werden. Vaak dacht ik: hoe worden wij hier in godsnaam professioneler van? Los daarvan vind ik het vreemd om een studiedag te schrappen, terwijl professionalisering net de kern van het beleid van minister Demir moet zijn.”
“Tegelijk maakt die ene dag natuurlijk niet het verschil. Onze leerkrachten zijn de laatste acht werkdagen van augustus allemaal op school om zich bij te scholen. Ik begrijp niet hoe je iedereen anders op een lijn krijgt.”
​
Twee weken minder vakantie, dat is nog zo’n heilig huisje.
​
“Hoeveel jobs zijn er waar het acht tot tien jaar duurt voor je een expert bent? Dat zijn er niet zoveel. Bij leerkrachten is dat wél zo. Het is dus een job die ontzettend veel professionalisering vraagt. Bijleren moet inherent verankerd zijn in de schoolstructuur. Het is geen magie. ‘Poef: ik ben geprofessionaliseerd.’"
​
“Leraar zijn is een ongelooflijk boeiende en uitdagende job. Maar om de beste studenten aan te trekken, en meer mannen aan te spreken, moet je durven nadenken over de structuur van het onderwijs: over doorgroeimogelijkheiden, weg van de vlakke carrière.”
“In onze structuur kan dat. In een klassieke school rijst de vraag waarom je tijd zou investeren in bijscholing. Je blijft toch gewoon lesgeven? In het beste geval mag je wat nieuwe leerkrachten begeleiden. Maar er is geen echte uitweg. Ik heb leerkrachten horen zeggen: ‘Ah, nu ik vastbenoemd ben, moet het niet meer.’”
Ook jullie structuur is veelbesproken, waarbij gewerkt wordt met een schoolopdracht.
​
“Ja, al heet het officieel anders. Die term is verbrand. We hebben een jaarprestatieopdracht (lacht). Vorig jaar deden we een taalproject met Leerpunt (een onafhankelijk kenniscentrum voor het onderwijs, red.). Sommige directeurs zeiden: ‘Wat jullie in acht maanden realiseren, daar doen wij acht jaar over.’ Dat komt puur door de structuur. Elke vrijdagvoormiddag hebben alle taalleerkrachten tijd om daarmee aan de slag te gaan. En dat is fantastisch om te zien. We hebben meetbare impact gecreëerd bij leerlingen door de didactiek van leerkrachten te verbeteren.”
​
U reisde ook naar Engeland, het nieuwe gidsland van de minister. Wat was uw ervaring?
​
“Ik heb indrukwekkende zaken gezien. In een school in Doncaster zaten de meest gedepriveerde kinderen van Engeland. Het grootste probleem toen wij daar waren: hangjongeren die ketamine, Red Bull en hoestsiroop mengden en verkochten aan lagereschoolkinderen. En toch: hoe die leerkrachten die kinderen meekregen, dat was ongelofelijk.”
​
Wat is hun geheim?
​
“Ze maken kinderen duidelijk dat hard werken loont. Die mentaliteit is overal aanwezig. Leerkrachten zeggen: je kunt hieruit komen. En dan zeggen leerlingen ook: ‘Mijn leerkrachten zijn hier om mij te helpen groeien en ze hebben het beste met mij voor.’ Dat vond ik echt straf. Ook de warmte, het respect en de verbinding waren enorm opvallend. Daar kunnen wij in Vlaanderen veel van leren.”
​
Kunnen wij veel leren van het Engelse systeem?
​
“De minister reist naar Engeland, ziet brave kindjes en wil dat ook. Haar inner circle focust vooral op klasmanagement en didactiek. Maar dan denk ik: er is nog een reden waarom die kinderen zo snel leren: schoolorganisatie. Maar daar is weinig interesse voor.”
Wat zag u dat de minister niet zag?
“Scholen werken in trusts, een soort scholengemeenschappen. Alles wat niet met lesgeven te maken heeft of geen rechtstreekse impact heeft op kinderen, wordt gebundeld. Zo kunnen leerkrachten goed ondersteund worden en ontstaat er een gigantische nabijheid met de leerlingen.”
​​
“Er zijn ook een aantal duidelijke rollen, zoals teacher of expert teacher, met bijbehorende loonschalen. Als een kind vastloopt, komt de expert in de klas. Die neemt de les over terwijl de gewone leraar achteraan observeert. Bij ons plukken we dat kind vaak uit de klas. Daar versterken ze net de leraar. Er zijn wekelijks reflectiegesprekken en soms video-analyses van de les. De rol voor mentoring is er cruciaal.”
“Leerlingen gaan ook maar tot half twee naar school. En het personeel blijft tot vier uur, half vijf. Dat biedt ruimte. Buiten die uren wordt nauwelijks gewerkt. Lesmateriaal wordt centraal ontwikkeld en gedeeld door de schoolgemeenschap, waardoor iedereen tijd heeft om zich didactisch voor te bereiden.”
​
Dat ligt bij ons bijzonder gevoelig. Wie aan de cursus raakt, raakt aan de leraar.
​
“We zijn een volk van koppigaards. Voor veel Vlaamse leerkrachten is lesmateriaal een uiting van hun creativiteit. Elk jaar opnieuw maken ze een cursus. Dan denk ik: is dat die tijd wel waard? Velen klagen over de werkdruk en verliezen zichzelf. Ik zou zeggen: je job kruipt al onder je vel. Wij zijn geen koekjesfabriek. Je kunt niet zeggen: deze batch is mislukt, morgen beter. Nee, een gedreven leraar is begaan met het leven van zijn kinderen. Dan moet je mentaal scherp zijn.”
“In Engeland zei een directeur: ik wil niet dat mijn leerkrachten in het weekend werken. Ik wil dat ze rusten, zodat ze op maandag fris zijn en voldoende mentale bandbreedte hebben om voor de klas te staan. Leerkrachten halen daar nog steeds op verschillende manieren voldoening uit hun job. Er is wel meer bereidheid om zich te schikken naar de norm. Maar goed, ze dragen dan weer grijze T-shirts en uniformen. Het zal altijd wel wat zijn.”
​
Waar bent u jaloers op?
​
“Iedere leerkracht krijgt er behalve een sterke didactische opleiding ook een leiderschapstraining. Heel concreet, met veel reflectie over gedrag. Dat zijn zaken waar onze lerarenopleiding veel van kan leren. Iedere leraar heeft nood aan leiderschapstraining. Wat mij de voorbije jaren het meest is opgevallen, is hoe weinig mensen in staat zijn tot echte zelfreflectie. We kunnen het goed uitleggen aan kinderen, maar zijn er zelf slecht in opgeleid. Dat maakt samenwerken in teams bijzonder moeilijk.”
​
2026 wordt de start van het kennisrijk curriculum in Vlaanderen. Welke verwachting heeft u?
​
“Mijn grote bezorgdheid is dat de uitrol van het kennisrijk curriculum niet zal brengen wat velen hopen. Ons Lab-model is kennisrijk. Maar je hebt een structuur nodig waarin mensen kunnen samenwerken. Als dat allemaal na halfvier en ’s avonds moet gebeuren, wordt dat de doodsteek. Bijna alle aandacht gaat naar inhoud en didactiek. Maar waar is de ondersteuning voor wie de vernieuwing moet begeleiden?”
