WES 1

Onze Taal
Dit november- en decembernummer van Onze Taal bulkt weer van het taalplezier.
​
De cover hier links verraadt het al: er staat er een prachtig literair verhaal in van Philip Dröge - kersverse winnaar van de Taalboekenprijs - over de Nederlandse oorsprong van Indonesische woorden, met als titel "waar het water ons bracht"
Zeker ook het lezen waard zijn onder meer het interview met Erik De Jong (Spinvis) over het schrijven van liedteksten en het artikel, of noem het bespiegeling, over het ondergewaardeerde genre dat het schrijven van boodschappenbriefjes is.
​​
Maar u begrijpt beste lezer, dat hoe enthousiast ik ook ben, ik in mijn blog selectief te werk moet gaan. Ik zal dus een keuze moeten maken. Bovendien kan ik deze artikels enkel in fotovorm presenteren (een mail naar de Onze Taalredactie om ook een digitale versie voor haar abonnees te voorzien, werd begripvol maar negatief onthaald, enkel over een taalvraag krijg je een uitgebreid online antwoord) zodat ik de lengte van deze tijdschriftenartikels voor u, lezer, wil beperken.
Om die reden én omdat de goedheiligman nog in onze gedachten is, presenteer ik hierna het vrij korte artikel over de (chocolade)letter IJ. Inmiddels is de Kerstman alweer in aantocht maar vooral omwille van de bruikbaarheid in onderwijskringen, doe ik er nog een artikel over de Engelse vervoegingen bovenop. Geen dank!
​​
​
IJ
Eén letter of twee?
​
Schrijf jij in een getypte tekst de letter ij als twee aparte letters of als één letter Y? Ikzelf vind het nog altijd vreemd en soms wat tenenkrullend als mensen mij via WhatsApp of sms’je zinnen sturen als: “Voor my blyft het gelyk.” Dat oogt toch gewoon fout? Maar is het dat ook?
Voor sommige mensen is het blijkbaar de normaalste zaak van de wereld om tijdens het typen de tweeklank IJ te vervangen door medeklinker Y.
Maar de ij en de y hebben een andere geschiedenis: de ij, die van oudsher in het Nederlands voorkomt, is oorspronkelijk een verlengde i. De y komt vrijwel alleen voor in leenwoorden als hypothese en baby. De ij zit niet in het alfabet, de y wel. Misschien verdient de letter ij wel een plekje in ons alfabet? Wat denk jij als toekomstig taalleerkracht?
​
Die discussie suddert overigens al langer, en er zouden ooit tikmachines met een aparte ij-toets hebben bestaan. Dat deze tikmachines nooit écht zijn doorgebroken, bewijst wellicht dat er te weinig praktische voordelen zijn om van de ij een aparte letter te maken.
Om even terug in de tijd te gaan: de letter ij was eerst de lange ii en klonk dus als ‘ie’. Twee verwikkelingen zorgden er echter voor dat de ij geleidelijk de plaats innam van de lange klank ii. Zo zou de tweede letter i van de klank ii langer zijn gemaakt omwille van de leesbaarheid in handgeschreven teksten. Na verloop van tijd zag men in die tweede verlengde i een j, waardoor het ij-beeld ontstond.
Daarnaast wijzigde stilaan de uitspraak en gingen woorden als ijs en tijd anders klinken. Ondanks het feit dat de korte ei-klank al bestond, verschoof de uitspraak van iis en tiid (‘ies’ en ‘tied’) gaandeweg naar ‘eis’ en ‘teid’ en werd de ooit lange ii in de geschreven taal dus een lange ij.
​
Wil je meer weten over de ontstaansgeschiedenis van de ij en waarom deze nog steeds geen plaats in ons alfabet heeft veroverd? Lees dan onderstaand artikel dat verscheen in het (papieren) herfstnummer 2024 van Onze Taal.
Je haalt er zeker verrassende weetjes uit om de kennis van je leerlingen over de ei, ij én y bij te spijkeren. Je kan zelfs een chocolade-IJ winnen als je de twee quizvragen onderaan het artikel kunt oplossen. Helaas is onze goedheiligman inmiddels alweer naar Spanje vertrokken, maar laat dat je niet weerhouden om de juiste antwoorden te vinden!
Veel IJ-plezier!
​
De letter IJ


Het spellen van werkwoorden uit het Engels
​
De toevloed aan Engelse (werk)woorden in onze Nederlandse taal is niet meer te stuiten en dat hoeft, chill en slay als we zijn, in onze dagelijkse conversaties geen probleem te zijn.
Maar hoe vervoeg je die f***ing werkwoorden zonder de juiste schrijfwijze eerst te moeten googelen? Je bent zeker niet de enige die wel eens de tanden stuk bijt op de Engelse werkwoordspelling.
Gelukkig legt het artikel “Geshopt tot je dropt”, dat werd gepubliceerd in het herfstnummer 2024 van Onze Taal, het allemaal haarfijn uit. Niet alleen handig voor in de klaspraktijk maar zeker ook tijdens het instaën of het twitteren.
​Taalwetenschapper Alex Reuneker, beheerder van de website ‘Gespeld.nl’ waar je spellingtips en oefeningen kan vinden, onderzocht de foute antwoorden van zijn bezoekers. Op basis van data-analyses kwam hij tot de vaststelling dat men het vaakst struikelt over de vervoeging van Engelse werkwoorden als (co)producen, sms’en, hypen, leasen, backspacen,… Voel je dus zeker geen dombo als jij tot deze statistisch drukbevolkte groep behoort.
​
Nog een geruststelling: er zit beweging in het principe van de vernederlandsing van Engelse werkwoorden met dubbele medeklinkers. Hiermee doelt men op de categorie werkwoorden waar de uitgang -le wordt omgezet in -el als dit werkwoord veel gebruikt wordt (bijv. ‘ik googel’).
Volgens de makers van de officiële spelling mogen voor bepaalde werkwoorden voortaan ook varianten worden gebruikt als deze beter aansluiten bij het bijhorende zelfstandige naamwoord. Dankzij Google, Scrabble en tackle mag je nu dus ook googlen, scrabblen en tacklen. Minder kans op fouten dus!
​
Niet helemaal zeker? Doe de test en los de vijf werkwoordvervoegingen op in het kader onderaan het artikel. Nail it!
​






WES 3
Maart 2025
Cultuur of natuur?
In het voorjaarsnummer 2025 van tijdschrift Onze Taal was het niet lang zoeken naar een interessant artikel voor mijn blog.
Wel twijfelde ik even of ik toch niet het hoofdartikel, een interview met de beloftevolle Vlaamse dichteres & schrijfster Maud Vanhauwaert aan jullie, lieve lezers, zou presenteren. Tot ik besloot om eerst haar nieuwe worp en romandebuut 'Tosca' te lezen. Dat boek ligt inmiddels op mijn salontafel en mocht me ook al twee keer vergezellen tijdens een busrit. Niettemin leest het als een trein en ik hoop jullie binnenkort in mijn boekenrubriek warm te maken voor dit straffe romandebuut. Een pijnlijk voorval in mijn tas - beeld je iets in met een flesje water en een slecht dichtgeschroefde dop - ruïneerde afgelopen weekend helaas voortijdig de nieuwe, hagelwitte cover.
​
Maar laat het ons over dat ándere artikel in Onze Taal hebben, dat ook meteen mijn aandacht trok. "Cultuur of natuur?" kopt Onze Taal, met als ondertitel "Waar onze talen vandaan komen".
De discussie 'nurture versus nature' wierp me meteen terug naar mijn studententijd, toen ik nog sociologie studeerde aan de faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen. Onze cursussen liepen over van de eeuwige strijd tussen de aanhangers van cultuur en opvoeding als verklaring voor menselijk gedrag en de aanhangers van genetische of biologische factoren.
Het uiteindelijke inzicht in de 21ste eeuw dat beide kampen gelijk hebben - genen en omgeving beïnvloeden elkaar dusdanig en kunnen zo innig met elkaar verweven zijn dat ze nauwelijks nog van elkaar te onderscheiden vallen - moest het klassieke nature-nurture debat afsluiten. Dacht ik toch.
Maar zie, de inleiding van het artikel stelt:"(...) Wie nadenkt over de mens, raakt al snel verstrikt in de natuur-cultuurdiscussie: zijn wij simpelweg apen die door de natuurlijke evolutie op twee benen zijn gaan lopen, of zijn we trotse erfgenamen van lange, exclusief door de mens gemaakte culturele tradities? In het geval van taal telt die discussie extra zwaar: is de taal nu een natuurlijk in ons brein gegroeid verschijnsel, een bijproduct van onze geavanceerde hersenen - of is ze een kathedraal die we met eigen handen hebben gebouwd en die onze bescherming verdient? "
Dat is heel stellig geformuleerd maar mij lijkt het een non-discussie. Want is ook hier de natuur-cultuurdiscussie inmiddels niet achterhaald of op zijn minst overbodig geworden? We hebben het over taal, die oeroude mix van natuurlijke en symbolische klankuitingen die door de eeuwen heen werden verfijnd, aangedikt, overschilderd, uitgedund of gewist; het is taal die onze identiteit en cultuur vormgeeft maar waarvan ons brein ook al van in de baarmoeder de melodie en grammaticale structuren oppikt.
Gelukkig valt er voor beide standpunten - natuur en cultuur - iets te zeggen, oordeelt ook de auteur een beetje verder in het artikel. En het wordt echt interessant als hij verder een aantal taalfenomenen uitdiept zoals bijvoorbeeld het gebruik van kleurennamen in de wereld.
​​
Uit onderzoek blijkt onder meer dat kleuren niet in elke taal even rijkelijk worden benoemd. Zo zijn er talen - er wordt niet gezegd welke - die enkel licht en donker onderscheiden en talen zoals de onze die een wijde schakering aan kleuren hanteren (denk aan roze, violet, mauve, purper). Vorige eeuw ontdekte men dat talen meer kleuronderscheidingen maken naarmate ze zich verder ontwikkelen: na wit en zwart komt eerst rood, dan geel en groen, daarna blauw, enzoverder.
Biologische verklaringen zijn terug te voeren op de speciale gevoeligheid van het menselijk oog voor het kleurenspectrum van de regenboog. Het zou vanuit evolutionair oogpunt noodzakelijk zijn geweest dat onze voorouders rood konden onderscheiden (bloed of felle bloemen) en geel of groen (rijp fruit).
​
Verder blijkt dat het woord 'blauw' minder vaak voorkomt in talen die dichter bij de evenaar zijn gelegen, niettegenstaande je daar prachtige blauwe luchten en azuurblauwe wateren kan spotten. Door de grote hoeveelheid uv-straling in die delen van de wereld, zou het deel van het oog dat het verschil tussen groen en blauw registreert, sneller beschadigd raken. Blauw blijkt dan niet zo'n goede kandidaat om een aparte naam te krijgen.
Naast biologische verschillen zijn er uiteraard ook culturele factoren die taal vormen en sturen. Een culturele verklaring voor een rijk kleurenregister in 'meer ontwikkelde' gemeenschappen kan zijn dat geavanceerde kleurennamen pas nodig worden als een samenleving kunstmatige kleurstoffen begint te maken. Immers, natuurlijke kleuren als geel, groen of bruin hoeven niet tot in detail te worden uitgelegd, maar als je zelf verf ontwikkelt is het nodig om over de nuances te spreken (denk aan scharlakenrood, mosterdgeel, marineblauw, olijfgroen). Het toont aan dat de belevingswereld van een individu in hoge mate wordt bepaald door de taal die hij ter beschikking heeft.
​
Vanuit biologische hoek lezen we nog iets over het gebruik van toonhoogte in talen zoals het Chinees. Deze toonverschillen dienen om verschillen in betekenis van woorden aan te geven. In bepaalde regio's blijken mensen over een 'toon-gen' te beschikken dat hen in staat stelt om subtiele toonverschillen te horen en correct te interpreteren. Weet wel dat niet alle Chinezen gezegend zijn met dit gen en ook zij moeiteloos hun moedertaal leren.
Hoewel de term enigszins beladen is, waagt men zich in Amerikaans onderzoek ook wel aan de relatie tussen ras en taal. Vanuit Amerikaans perspectief heeft 'ras' een sociale eerder dan een biologische betekenis, waarbij de raciolinguistiek de studie beoogt van de relatie tussen taal en etnische identiteit. Onderwerp van onderzoek kan zijn de sociale impact die taal heeft op de identiteitsvorming van een bevolkingsgroep, zoals de manier waarop mensen met hun taalgebruik tonen tot welke groep ze (willen) horen.​
​
​Dat klinkt ons bekend in de oren, niet? Dialecten, jongerentaal, straattaal, schooltaal, tussentaal,.... welk register je bovenhaalt hangt af van het momentum, de omstandigheid, de omgeving en de groep waarin je je ei wilt droppen.
Ik vind het alleszins een hele interessante thematiek om in de klas aan te snijden, niet alleen om het taalinzicht maar vooral ook om het taalplezier van leerlingen te vergroten. Hoe ervaren zij onderlinge verschillen in taalgebruik? Wanneer en hoe zet je taal in? Wat is de sociale rol van taal? Welke biologische en culturele factoren vallen er te ontdekken in de wijze waarop we taal gebruiken? Hoe verschillend zijn culturen in het interpreteren van de betekenis en symboliek van bepaalde kleuren, woorden, aansprekingen, intonaties?
Je ziet, dit 'cultuur-natuur' artikel van Onze Taal roept vele boeiende, (taal)filosofische vragen op. Maar het biedt bovenal een inspirerende vertrekbasis om in de klas mee aan de slag te gaan. Dus ik zou zeggen: doe er je voordeel mee!
​
​
​
​
​
​
​
​
​
​
​
​
​
Wes 4
Onze Taal nr. 3 - 2025
Taalverandering: hoe 'sterk' zijn onze
sterke werkwoorden?


Ik hou van sterke werkwoorden. Ze passen niet helemaal in het plaatje en er zijn ook geen sluitende regels voor. Hun vervoeging in de verleden tijd moet je simpelweg weten óf van buiten leren.
Nog een reden waarom ik van sterke werkwoorden hou: het zijn de underdogs van de Nederlandse grammatica. Ze verdienen dan ook onze liefde en aandacht. Ik lees trouwens in bovenstaand artikel van Onze Taal dat de sterke werkwoorden met uitsterven bedreigd zijn. Ze worden langzaam maar zeker verdrongen door de zwakke werkwoorden.
​
Wisten jullie dat sterke werkwoorden een overblijfsel zijn van het PIE, de oertaal die de wortels vormt van bijna alle Europese en sommige Aziatische talen? Het Proto-Indo-Europees was dominant tussen 4.500 en 2.500 V.C. in een wereld van herders en nomaden. De Germaanse talen hebben het systeem van klinkerwisselingen geërfd.
De zwakke werkwoorden kwamen wat later op de proppen, zo'n 3.000 jaar geleden. Er was nood aan een ander vervoegingssysteem omdat er steeds nieuwe werkwoorden bij kwamen en niet alle klinkerwisselingen pasten daar even goed bij.
De sterke werkwoorden kregen dus een geduchte concurrent. Bovendien had het nieuwe systeem makkelijkere regels: je moest gewoon -de of -te achter de stam plakken. Het succes van de zwakke werkwoorden was beklonken en duurt nog altijd voort.
Niettemin telt het Nederlands telt nog altijd zo'n 200 sterke werkwoorden. Maar voor hoelang nog? Een aantal van deze werkwoorden komt steeds zwakker te staan. Vooral de sterke werkwoorden die we minder vaak gebruiken, trekken aan het kortste eind. Heel af en toe hoor je een 80-plusser wel eens zeggen dat ze een wandeling miek.
​
Gelukkig zijn een aantal sterke werkwoorden dermate stevig verankerd in ons taalsysteem dat ze zich nog wel een tijdje 'sterk' zullen houden. Vormen als liep en zong zullen niet zo makkelijk ten prooi vallen aan de verlokkingen van de achtervoegsels -de en -te.
De infografiek in het artikel hierboven (p. 19) toont 10 werkwoorden die zowel een zwakke als sterke variant hebben. Ze 'bewegen' naar deze of gene kant.
Wil jij onze sterke werkwoorden mee behoeden voor de totale extinctie? Hou ze dan springlevend! Met een zin als "Je ried nooit waar hij school tijdens de regen. Toen de bui voorbij was, spoog hij in een plas en verried zo zijn schuilplaats" moet je niet overal komen aanzetten, maar wie weet helpt het wel. En nu jij!
WES 2
15 april 2025
De Standaard
Met regels roei je geen taalfouten uit
(en dat is oké)
Het allereerste spoor van een dt-regel dateert uit 1628. In de 18de eeuw werd hij officieel vastgelegd: ‘hij wordt’ schrijf je met dt. Drie eeuwen later loopt het nog altijd mis. Taalfouten zullen altijd blijven bestaan, ook met regels.
​
15 april 2025 om 23:59
​
Taalfouten roepen massaal ergernis op. Meer dan de helft van de Vlamingen verdraagt ze slecht. Als dt-fouten niet des duivels zijn, dan zijn ze toch minstens een proeve van dommigheid. Tegelijk wordt er gefoeterd op fouten zoals: ‘hij is even klein dan ik’ of ‘ik ben kleiner als hij’. De kwestie hun-hen is eerder een kwelling voor een handvol fijnproevers. ‘Hun’ is meewerkend voorwerp, ‘hen’ lijdend voorwerp.
​
Afzien doen we verder allemaal. Want iedereen blijft fouten maken. Met regels roei je geen taalfouten uit, ook niet als je hamert en drilt. “Toch is het belangrijk dat er regels bestaan”, benadrukt Eline Lismont, historisch taalkundige aan de VUB. “In bepaalde contexten gebruik je best correct Nederlands.”
​
Maar regels zijn niet altijd even succesvol. Sterker nog, soms leiden taalfouten tot taalvernieuwing. De frequentie van de fout en wie de fout maakt, zijn daarbij cruciaal. Soms kun je zelfs opzettelijk fouten maken om jezelf een bepaalde stijl aan te meten. De verspreiding ervan hangt af van wie zich niet aan de regels houdt.
​​
Prestigieuze taalgebruikers
​
Fouten van armoezaaiers die in de samenleving niks te vertellen hebben, zijn van een andere orde dan fouten van prestigieuze taalgebruikers, zoals de dichter Joost van den Vondel destijds. Zijn invloed was enorm. ‘Wie vont in deeglijkheit oit zijns gelijken meer’, schreef hij in 1630. Maar het Nederlands van Vondel bleef niet overeind. “Taal evolueert voortdurend, ook los van de regels”, zegt Lismont.
​
Ze onderzocht de invloed van taalregels op het Nederlands tussen 1550 en 1850. Soms werken ze wel, soms helemaal niet. Zo blijkt uit de vergelijking van 73 oude grammatica’s en schoolboeken en een historisch corpus van pamfletten, administratieve teksten en persoonlijke reisverslagen. Of taalgebruikers de regels toepassen is afhankelijk van meerdere factoren. “Drukkers kenden de regels beter en pasten ze vaker toe. In oude pamfletten zie je daarom weinig fouten. Mensen die persoonlijke notities maken voor kennissen schrijven meer fouten. Ze houden veel minder rekening met de regels.”
​
En dan is er nog het verschil tussen spelling- en grammaticaregels. Spellingregels zijn makkelijker om toe te passen dan grammaticaregels. Opgelegde regels die geen oorsprong hebben in spontaan taalgebruik, zijn zo goed als hopeloos. Die van ‘hun’ en ‘hen’ is er zo eentje.
​
“Christiaen van Heule heeft het gebruik van ‘hun’ en ‘hen’ uitgevonden”, legt Lismont uit. “Hij introduceerde de datief en accusatief in 1625, in zijn Nederduytsche grammatica ofte spraec-konst. Het is een complexe regel die toen al niet werd gevolgd. Taalgebruikers van nu hebben er nog meer moeite mee.”
​
​Onnatuurlijk
​
Ook de dt-regel is een opgelegde regel. In de tweede helft van de 18de eeuw werd beslist dat het voortaan ‘hij wordt’ is, voor iedereen. Met taalkundig inzicht had het weinig te maken, net zoals het onderscheid tussen ‘groter dan’ en ‘even groot als’. Ook dat heeft geen taalkundige grond.
​
“Opgelegde regels voelen onnatuurlijk aan, waardoor mensen het er lastig mee hebben”, aldus Lismont. “Bij gebruiksregels heb je dat niet. Gebruiksregels steunen op een onderliggende systematiek in het Nederlands.” De meeste taalgebruikers hebben nog nooit van gebruiksregels gehoord. Ze houden zich eraan zonder het te beseffen. “Een voorbeeld is het meervoud van zelfstandige naamwoorden”, aldus Lismont. “Iedereen weet dat het meervoud van ‘boek’ ‘boeken’ is. Niemand zegt ‘boeks’. Nederlands heeft namelijk een trocheïsch klankprincipe. Dat wil zeggen dat op een beklemtoonde lettergreep best een onbeklemtoonde lettergreep volgt: ‘boeken’ dus. Moedertaalsprekers voelen het ritme van de taal aan, zonder de regel te kennen.”
​
Hetzelfde geldt voor de volgorde van bijvoeglijke naamwoorden. Iedereen weet intuïtief dat je ‘een prachtig, wit paard’ zegt, terwijl een ‘wit, prachtig paard’ vreemd klinkt. Wit moet dicht bij het paard staan omdat de kleur een eigenschap is van het paard, terwijl prachtig de mening van de spreker weergeeft. Voor een moedertaalspreker is de regel zo vanzelfsprekend dat je hem niet hoeft te leren op school.”
​
Je kunt je afvragen waarom mensen zoveel tijd en moeite investeren in regels, als ze geen wetmatigheid zijn. “Bij de uitvinding van de boekdrukkunst ontstond de behoefte aan een meer uniforme taal”, antwoordt Eline Lismont. “Om op grote schaal boeken te verkopen, met name Bijbelvertalingen die zoveel mogelijk mensen konden lezen, had je een taal nodig die iedereen begreep. De eerste taalregels zijn er dus deels gekomen om commerciële redenen.”
​
“In de 18de eeuw,” gaat Lismont verder, “toen de Verlichting en het nationalisme opkwamen, ontstond het idee van één taal, één natie. Taal is een soort vlag waar je met zijn allen achteraan kunt lopen. Regels maken er deel van uit. Soms versnellen ze een bepaald taalgebruik, soms vertragen ze het. Het is een complex proces dat taalfouten evenwel niet doet verdwijnen. Het enige wat taalregels wél altijd doen, is een taalbewustzijn creëren. Ook dat kun je merken aan een fout. Een kind dat ‘ik loopte’ zegt, is zich ervan bewust dat je met de uitgang -te een verleden tijd kunt maken. Dat is toch mooi!”
​
​
​
​
​
Bovenstaand artikel uit De Standaard online trok mijn aandacht. Niet per se omwille van de verwijzing naar 'taalfouten' in de kop maar vooral door de opmerking tussen haakjes. Want herbergen haakjes meestal niet iets dat je er wel bij mag denken maar dat verder niet zo belangrijk is?
De titel verraadt dat de strijd tegen taalfouten bij voorbaat is verloren, maar we mogen er wel stilletjes bij denken dat dat helemaal niet zo erg is. Als dat geen leuk artikel is om samen met leerlingen te lezen vooraleer aan te vatten met de les spelling?
Dan werk je in één klap aan leesvaardigheid, taalbewustzijn, begrijpend lezen en zelfreflectie.
​​
Ik moet toegeven dat ik met de jaren steeds milder word ten aanzien van vrienden of kennissen die dt-fouten in hun chatberichten sluizen. Het was ooit anders, maar zoals de taalridders onder ons zullen beamen, maak je jezelf daar niet altijd populair mee.
Natuurlijk is het als aankomend leerkracht Nederlands je verdomde plicht om taalfouten van leerlingen met vuur te bestrijden. Dat taalfouten moeilijk uit te roeien vallen, is een boude stelling maar wel zo waar als twee plus twee vier is.
Dit artikel werpt een verhelderend licht op hoe dat komt en wat de invloed is van taalregels op het Nederlands.
De eerste taalregels ontstonden uit commerciële motieven: de boekdrukkunst versnelde de nood aan één taal die iedereen kon begrijpen. Maar wat blijkt? Een taalregel werkt pas écht als hij niet is opgelegd.
​​​
Het bevestigt de lenigheid en levendigheid van onze Nederlandse taal. Die laat zich niet ringeloren. Sterker nog: taalfouten leiden zelfs tot taalvernieuwing!
​​
​​
​​
​​
​​
​​
​
​
​
​
Reflectie
Dat opent deuren voor talige snoodaards die de taalevolutie naar hun hand willen zetten. Zou deze bevinding de negatieve status van taalfouten kunnen opkrikken? Het maakt een dt-foutje hier en een spellingmisser daar wel veel minder erg want was die fout niet bedoeld om de taalevolutie een handje te helpen?
​
Nee, alle gekheid op een stokje. Met taalregels is het zoals met woorden of uitdrukkingen: ze komen en ze gaan. Kijk maar naar figuurlijk taalgebruik, hoeveel leerlingen kennen nog spreekwoorden of zegswijzen? Het is huilen met de pet op.
​​
Wat ik vooral onthoud uit het artikel is dat taalregels, indien niet ontsproten uit spontaan taalgebruik, zo goed als hopeloos zijn. Een voorbeeld is hen en hun. Daarover straks meer.
​​
Maar moeten we daarom alle taalregels schrappen? Want ook de dt-regel is ooit opgelegd en voelt om die reden onnatuurlijk aan. Gebruiksregels daarentegen beantwoorden aan een voor de moedertaalgebruiker logische, onderliggende systematiek. Dus die passen we als vanzelf toe. Het meervoud ‘handen’ is daar een voorbeeld van (niemand zegt hands).
En dan is er natuurlijk de vervoeging van zwakke werkwoorden die veel natuurlijker aanvoelt als de vervoeging van sterke werkwoorden. In een eerdere post over taalverandering (“Hoe sterk zijn onze sterke werkwoorden”) ging het in deze blog al over het uitsterven van sterke werkwoorden. En inderdaad, veel jonge kinderen zeggen intuïtief ‘ik koopte’ in plaats van ‘ik kocht’.
Maar of we over 50 jaar allemaal zullen zeggen dat we een mooi boek hebben gekoopt? Ik denkte het niet.
Wat denken jullie?
​
​
​
​
​

Onze Taal
nummer 6 - 2025

Hen of hun?
Taal is constant in beweging en sommige taalregels hebben het moeilijk om te overleven, zo lazen we in het artikel van De Standaard over 'taalregels'. Er is trouwens een zichtbare verschuiving aan de gang in het gebruik van ‘hen’ en ‘hun’. Het artikel dat verscheen in het 6e nummer van Onze Taal (2025) bevestigt dit.
Wat blijkt? De regels over ‘hen’ en ‘hun’ zijn evenals onze dt-regels niet ontstaan uit spontaan taalgebruik. Ze dreigen dan ook kopje onder te gaan. Beginnen leerlingen te zeuren over de moeilijke regels van ‘hen’ en ‘hun’? Schotel hun (of hen?) bovenstaand artikel uit Onze Taal voor. Ze krijgen er gratis een vleugje geschiedenis bovenop.
Een dikke 400 jaar geleden gebruikten we deze twee woordjes namelijk nog ongegeneerd door elkaar. Wat een gemak want nooit gezeik!
Waarom dan wel een hen/hun-regel? Een taalkundige wilde de Nederlandse taal spiegelen aan het Latijn en Grieks en een onderscheid in vorm creëren tussen lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp. Kort samengevat gebruiken we hen als het een lijdend voorwerp is of achter een voorzetsel komt (‘aan hen’) en hun als het een meewerkend voorwerp is.
Ondanks de duidelijke regels, zijn er vele uitzonderingen waarbij men twijfelt tussen hen en hun. Het is ook niet altijd duidelijk of iets een lijdend voorwerp dan wel een meewerkend voorwerp is. Op de website van Onze Taal staat een lange lijst van zulke twijfelgevallen inclusief een paar gevallen waarin het gebruik van ‘hen’ of ‘hun’ allebei te verdedigen is.
Conclusie is dat de hen/hun-regel nooit echt aansloeg. Hun wordt als een lelijk woord ervaren terwijl hen stilistisch een hogere waardering krijgt. Verder speelt mee dat bij andere woorden zo’n onderscheid helemaal niet bestaat. De woorden mij, jou, hem, … kunnen allemaal zowel lijdend voorwerp als meewerkend voorwerp zijn. Niemand die erover struikelt. Inmiddels heeft zich in de schrijftaal een nieuwe regel genesteld die zegt: “Gebruik ze of zij als het een onderwerp is, hun als het een bezittelijk voornaamwoord is en hen in alle andere gevallen.” Zou dit omwille van het gebruiksgemak ook voor het genderneutrale hen/hun gelden?